

























Als je een tuin ontwerpt dan denk je voornamelijk aan het bovengrondse deel. Je ziet de samengestelde plantenborders al voor je, de zwemvijver met rietfilter, een terras waar je lekker kunt zitten in de zon. Om bij te dragen aan de biodiversiteit denk je aan eetbare planten voor jezelf, voor vogels en voor insecten als bijen en vlinders.
Waar weinig mensen bij stil staan is dat er onder je voeten een complexe samenleving druk aan het werk is: het bodemvoedselweb. Dit productieve netwerk kan ons op veel manieren helpen.

Als je een goede tuinier of ontwerper wilt worden, dan moet je begrijpen wat erin de bodem gebeurt. Een gezonde bodem bestaat niet uit een paar beestjes, maar krioelt van het leven. Een theelepel tuingrond bevat een miljard onzichtbare bacteriën, meters schimmeldraden, enkele duizenden protozoa (eencelligen) en een paardozijn nematoden, ofwel rondwormen. (bron: het bodemvoedselweb, Jeff Lowenfelsen Wayne Lewis 2017). Dit enorm productieve netwerk kan ons op veel manieren helpen.
Het bodemleven levert en activeert namelijk de voedingsstoffen die nodig zijn voor planten die op hun beurt diezelfde cyclus in stand houden door exudaten uit te scheiden waarmee ze het bodemleven voeden. Planten en bodem werken nauw samen. Daarnaast mobiliseert het bodemleven de voedingsstoffen – ze spoelen dus niet weg – het verbetert de bodemstructuur, het houdt ziektes in bedwang - ook bovengronds - én een gezonde bodem kan beter water vasthouden en opvangen. Een gezonde bodem maakt tuinieren daardoor gemakkelijker, je hebt minder werk; je hoeft geen water te geven, bladeren af te voeren en niette spitten. Het bodemvoedselweb zit heel vernuftig in elkaar.

Negatieve invloeden op het bodemvoedselweb zijn o.a. kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen als pesticiden en fungiciden. Leden van het web worden verjaagd of gedood. Omploegen van grond verplettert geleedpotigen, breekt de schimmeldraden en zet de hele (ondergrondse) wereld op zijn kop. Anaerobe bacteriën krijgen ineens zuurstof en Aerobe komen zonder te zitten. En het verwijderen van alle bladeren maakt de tuin misschien netjes maar het haalt ook meteen het voedsel voor het bodemleven weg.

Alle ingrepen die wij mensen doen hebben grote consequenties. Dit zien we in eerste instantie niet, het lijkt zo klein en ver weg, maar als je wilt begrijpen wat er in de bodem gebeurt, raad ik aan het boek ‘het bodemvoedselweb‘ te lezen, geschreven door Jeff Lowenfels en Wayne Lewis. Ook in de opleiding Tuinarchitectuur komt dit onderwerp aan bod.
Wil je een levende tuin? Dan is het goed met bovengrondse delen bezig te zijn, maar te beginnen met de basis: de bodem. Want alle kleine beestjes helpen!

Eerst voorzichtig, maar trefzeker en doelbewust. En als je eerste lijn niet lekker samenvalt met de volgende, ga je er iets dikker overheen. Beter dan gummen, want dan verval je vaak in dezelfde, eerste lijn. Je begint met een lichte druk op je (zachte) potlood. Naarmate de lijnen zich verbeteren, word je lijnvoering dikker. Tot je denkt dat je de ideale lijn of compositie hebt gevonden, dan pak je een nieuw stukje schetspapier, trekt als eerste je ideale lijn op dat nieuwe stuk papier, dat wordt dan de beste tekening. Of je zoekt verder…

Is het daarna tijd voor een ander model? Persoonlijk kan ik lang doorgaan, nog een model, nog een variant. Nog weer eens versimpelen. Pak ik de eerste schetsen er weer bij, blijken die vaak toch beter. Soms heb ik meters nodig, een andere keer gaat het slechts om decimeters. Bij lang en verwoed schetsen, wordt de zijkant van mijn hand zwart van het grafiet. Het gebeurt dat ik grafiet, inkt en kleurpotlood combineer. Er ontstaan kleurrijke, morsige, afgescheurde stapels vellen. Het bureau raakt bedolven. Dat vind het schetspapier niet erg, papier is geduldig. We, dat papier en ik, gaan net zo lang door, totdat ik vind dat het goed is. Dan is de ideale, heldere lijn gevonden.
Ik probeer efficiënt te scheuren, vaak langs een liniaal, elk stukje schetspapier goed te benutten. Ik denk dat het papier uit een boom gemaakt is, niet gerecycled. Bij een lang proces voel ik mij wel schuldig; was zó veel papierverbruik nou nodig? Maar op schetspapier bezuinigen is geen optie. Ik bezuinig wel op het gebruik van gum en tegenwoordig ook op fineliners en viltstiften.

Ik heb een tablet gekocht, met een digitale pen. Leuk setje, ik gebruik het ook, maar ik kan er niet op schetsen. Het werkt anders, het voelt anders. Je hand blijft schoon, die glijdt niet over papier. Je zoekt anders. Het is lastig om een eerste schets terug te pakken. Dus ben ik blij met het ambachtelijke, op papier.
Schrijf en verbeter veel, sprak een wijze dichter. Mijn motto: schets en verbeter veel.
Al tekenend en schetsend onderzoeken en analyseren, het is een van de basisvaardigheden die je leert tijdens de opleiding Tuinarchitectuur.

Ik zie altijd mensen druk bezig om hun tuin in toom te houden. Het lijkt wel of we niet houden van successie. Elke ingreep die we doen om de tuin onder controle te houden werken we steeds tegen de natuurlijke drang van de natuur in.
Een kale bodem blijft niet lang onbegroeid. Als we niks doen komen er vanzelf planten. Eerst pionierssoorten, dan grassen, ruigtekruiden, struiken en uiteindelijk bomen. De kale bodem groeit helemaal dicht en zal in ongeveer honderd jaar veranderen in een bos. De opeenvolging van soorten noemen we successie.

Als je je moestuin omspit tref je niet lang daarna een aantal kruiden aan; bijvoorbeeld knopkruid, melde of klaproos. Deze eenjarige planten zijn pionierssoorten, soorten die als eerste verschijnen als verstoring is opgetreden en zullen snel de bodem bedekken. Als je verder zou gaan met niks doen dan verschijnen er grassen. Al na één jaar. Dit gebeurt in de natuur altijd. Dus als je je moestuin wilt blijven behouden zul je weer terug moeten naar pioniersstadium.
Grassen zijn meerjarig en wortelen dieper, er is dus geen ruimte meer voor die mooie klaproos. Als je geluk hebt komt er nog een Margriet boven of duizendblad. Deze hebben een lange bloeistengel die boven het gras uitsteekt en kunnen nog even naast gras bestaan.

Na de grassen komen er ruigtekruiden en kleine struiken tevoorschijn. Als je een grasland wilt behouden zul je dus moeten maaien of de ruigtekruiden verwijderen. Doe je dat niet dan zullen de grassen langzaamaan verdwijnen onder de sterke wortels van deze ruigtekruiden zoals brandnetel, bramen, wilgenroosje.
Inmiddels zien we ook zaailingen van bomen en struiken verschijnen. Er ontstaat een struweel met struiken zoals meidoorn en vlier en de eerste bomen zoals berken, wilgen of elzen. Door het groeien van de bomen en het gebrek aan licht verdwijnen de meeste struiken en wordt het langzaam bos. Eerst een gemengd bos en daarna wordt het een bos met schaduwsoorten zoals beuk, haagbeuk of eik. Dit laatste stadium wordt de climaxvegetatie genoemd.

Treed er verstoring op door bomenkap, een bosbrand of heb je een kale bouwgrond, dan begint de successie van voor af aan.
Met de natuur meewerken of juist tegenwerken, heeft dus alles met successie te maken. Soms willen we dat de omstandigheden hetzelfde blijven zoals die mooie bloemenweide of de moestuin en moeten we tegen de natuurlijke drang van de natuur in werken. Andere keren willen we juist een plantenborder op die kale grond en dan versnellen we de successie. Een andere mogelijkheid is om de natuur zijn gang te laten gaan. Het is allemaal goed, maar besef welke consequenties je keuze heeft voor de hoeveelheid werk.
Als je je bewust bent van deze processen kun je de toekomst voorspellen terwijl je de tuin ontwerpt. Het is goed en leuk om je klanten hierin mee te nemen, ze voor te bereiden op wat komen gaat en te laten zien hoe je problemen voor kunt zijn.
Successie zowel als duurzaamheid en biodiversiteit, zijn de basis voor het ontwerpvak.
Nieuwsgierig? Hier kun je er meer over lezen. Of meld je aan voor een proefles!
Het uitbundige voorjaarsgeel van narcissen en Forsythia is, in deze tijd van het jaar, voor de meeste mensen een bekend beeld. Maar de kleur geel is niet bij iedereen even geliefd. Voor wie meer houdt van zachte tinten, zoals crème of zachtgeel, zijn er minder bekende voorjaarsbloeiers. Met hun uitgesproken elegantie, aaibaarheidsfactor of geur kunnen zij elke plantenliefhebber bekoren.

Tijdens de module Bladverliezende heesters van de cursus Plantenkennis Compleet, komen naast de bekende, ook minder bekende soorten aan bod. Enkele voorbeelden zijn Edgeworthia chrysantha met zijdezachte bloemknoppen, Chimonanthus praecox met een heerlijke geur en Stachyurus praecox met lange, sierlijke bloemtrosjes. Deze laatste heester zal ik hieronder kort belichten.
Wie ooit een Stachyurus in bloei heeft gezien, zwicht meteen voor deze elegante heester. Er zijn meerdere soorten, allen afkomstig uit Azië. Stachyurus praecox bloeit het vroegst. Rond maart, vóór het verschijnen van het blad, tooit deze soort zich met zachtgele, sierlijk hangende bloemtrosjes. De opvallende bloei vormt een mooi contrast met de rood- tot purperbruine, glanzende twijgen. De bloemtrosjes bestaan uit een reeks bolvormige kelkjes, die naar de uiteinden aflopen in grootte.

De Nederlandse benaming Staart-aar is afgeleid van het Griekse stachus (aar) en oura (staart). Ondanks dat de bloemen plantkundig gezien trossen zijn en geen aren, geeft de naamgeving inzicht in de plantkenmerken. Want de vele rijen met bloemkelkjes, die als kralen langs de lange ‘bloei-staarten’ hangen, zijn verreweg het meest kenmerkende van deze plant. Praecox geeft aan dat deze soort vroeg bloeit.

Na de bloei verschijnt het papierdunne groene blad, dat in de herfst prachtig verkleurt naar variaties van geel –oranje – rood; aan de uitgebloeide bloemtrossen verschijnen onopvallende groene, bes-achtige vruchten. Deze heester houdt van een beschutte plek en lichtzure, humusrijke bodem. Hij is onderhoudsvriendelijk (geen snoei) en heeft geen last van ziektes. Kortom, alle reden om deze schitterende voorjaarsbloeier vaker aan te planten!