
























Heel veel wilde planten zien wij als onkruid. Maar wat is onkruid eigenlijk? Een plant op een plek waarvan wij mensen vinden dat die daar niet moet groeien? Planten verschijnen echter niet voor niets op een bepaalde plek. Ze hebben daar werk te doen, een taak te vervullen. Ze herstellen de balans. Zo vertellen ze ons precies wat er aan de hand is en dat kan nuttige informatiezijn. Als je ze weghaalt komen ze terug tot hun taak is volbracht.

Indicatorplanten geven informatie over de grondsoort, de minerale samenstelling of de conditie ervan. Sommige planten zijn ook grondverbeteraars. Een grasveld vol klaver vertelt ons bijvoorbeeld dat de grond arm is aan stikstof. Klaver kan namelijk stikstof uit de lucht binden inwortelknolletjes en verrijkt hiermee de grond. De plant zal ook verdwijnen als het stikstoftekort is opgeheven.

Andersom kan ook, bijvoorbeeld bij brandnetel, zuring of melkdistel. Deze geven aan dat de grond veel stikstof bevat. Deze planten zullen dus pas verdwijnen als het stikstofgehalte is gedaald. Korenbloemen vind je op open, droge en voedselrijke zandgrond. En weegbree op plaatsen waar de grond is verdicht, dit wordt ook wel een ‘tredplant’ genoemd. Let maar eens op als je gaat wandelen door de natuur, op onverharde wegen kom je deze plantentegen, je loopt er overheen. Wilgen verschijnen daar waar de bodem nat is. Heb je klein kruiskruid, melganzenvoet of vogelmuur in de tuin, dan weet je dat je een voedselrijke bodem hebt.

Paardenbloemen zijn indicatoren voor een calciumtekort in de bovenste laag van de bodem. Ze halen met hun lange penwortels calcium naar boven en slaan dit op in de bovengrondse delen. Als de plant afsterft wordt de calcium beschikbaar voor het bodemleven en voedt het de bodem. Je kunt paardenbloemen wel weghalen maar ze zullen net zo lang blijven komen tot het tekort is opgeheven.
Het is niet zo dat maar een enkele plant of boom alles over de grondsoort vertelt. Er zijn altijd een paar soorten die overduidelijk ergens een signaal van zijn. Je wilt ze misschien niet maar je kunt er een hoop van leren. Je kunt aan de planten zien met welke bodemsoort je te maken hebt en wat de toestand is van de bodem. Op basis daarvan adviseer je of bodemverbetering nodig is of houd je rekening met de plantkeuze in het beplantingsplan.
Het belang en het nut van indicatorplanten komt aan bod tijdens de opleiding Tuinarchitectuur (Blok 3 > Groen).
Foto's: Rutger de Jong
"Omdat tuinen veel potentie hebben om iets te betekenen voor de biodiversiteit. Tijdens mijn opleiding Bos- en natuurbeheer leerde ik dat het daarmee erg slecht gaat in Nederland. In de bossen overigens niet. Omdat we de bossen de laatste vijftig, zestig jaar anders zijn gaan beheren, zijn die juist vooruitgegaan. Er wordt bijvoorbeeld minder opgeruimd, we laten meer dood hout liggen. En in plaats dat we zelf aanplanten, laten we de bossen op een natuurlijke manier verjongen. De structuur van de bossen is verbeterd en dat zie je terug aan vogelsoorten waarmee het beter gaat. Maar in de rest van het agrarische landschap is de biodiversiteit sterk achteruitgegaan.

Tuinen kunnen een grote rol spelen in natuurontwikkeling. In een relatief korte periode kun je in een tuin namelijk belangrijke veranderingen teweeg brengen. Mijn eigen tuin van 1.500 m2 is daar een goed voorbeeld van. Sinds 2014 hebben wij die stap voor stap aangepakt, eerst hebben we inheemse struiken en heesters aangeplant, vervolgens een bloemrijk grasveld ingezaaid, we hebben fruitbomen aangeplant en een natuurlijke vijver aangelegd. Nu is het een walhalla voor insecten, vogels en amfibieën. We hebben ook al eens een ringslang in de tuin gespot, hazelwormen en zelfs sporen van dassen.
Tuinen zijn bovendien aan weinig regels gebonden. Op een stuk grasland met een agrarische bestemming kun je niet zomaar een grote vijver aanleggen of een stuk bos. In de tuin kan dat wel, daar kunnen mensen heel ver gaan. Je hebt veel vrijheid in hoe je die inricht. In een woonwijk zul je dan ook niet zo snel een monocultuur aantreffen, omdat iedereen zijn tuin anders inricht."

"Ja, maar je moet wel realistisch zijn en slim ontwerpen. Als je voor een grote oppervlakte een ontwerp maakt en je creëert in alle uithoeken plekken om te komen, dan is de mens dus overal aanwezig. Insecten die zitten daar niet mee, maar de meeste gewervelde dieren zijn schuw. Wezels, hermelijnen en een groot deel van de vogels zul je dan niet aantreffen. Bij een grote tuin zou je een deel kunnen opofferen waar je niet komt, en dat je daar dan een natuurreservaat van maakt. Het blijft van jou, het is mooi om naar te kijken, maar je gunt schuwe dieren daar hun rust.’’
"Ja uiteraard, maar een kleine tuin is heel waardevol voorde minder schuwe dieren; vogels als mezen, roodborstjes en winterkoninkjes bijvoorbeeld of vleermuizen. En er zit natuurlijk ook veel schoonheid en bijzonderheid in de kleine diertjes, de insecten. Daarnaast bieden kleine stadstuinen een habitat voor bijzondere planten, muurleeuwenbek (Cymbalariamuralis) en bepaalde varens groeien alleen maar in oude stadsmuren. Zorg dan dat zo’n muur lekker vol kan groeien. Bovendien kun je in een kleine tuin natuurlijk prima allerlei zeldzame planten zetten, een rode-lijst soort als knikkend nagelkruid (Geum rivale) is gewoon in de handel als vaste plant.”

"Nee, natuurlijk niet. Ik ontwerp ook vaak strakke tuinen met rechte lijnen. Voor het verhogen van de biodiversiteit maakt het niks uit welke vormen een tuin heeft. Vaak vragen klanten wel om een organische vormgeving. Als je in je tuin de natuur wilt ervaren, dan gaat dat natuurlijk makkelijker als de tuin ook natuurlijk oogt. Overigens vind ik het best uitdagend om een ontwerp met een organische lijnvoering kloppend te krijgen. Mooi vind ik het wel, vooral bij een heel modern huis is het contrast prachtig.”
"Klopt. Ik heb ook veel klanten aan wie ik advies geef hoe ze hun tuin biodiverser kunnen maken. Dan loop ik met ze door hun tuin en geef aan met welke ingrepen hun tuin nog aantrekkelijker wordt voor bepaalde diersoorten bijvoorbeeld. Zo helpt een eenjarig bloemenmengsel insecten wel een beetje, maar eigenlijk is het alleen maar een supermarkt of snackbar. Insecten kunnen er wel wat te eten halen - nectar - maar het is geen leefgebied voor ze. Wil je echt iets voor insecten doen, dan moet je verder denken. Dikkopjes - een vlinderfamilie - bijvoorbeeld, hebben overjarig gras nodig om in te schuilen en om hun eitjes in af te zetten. Zo’n hoekje is natuurlijk zo gemaakt. Zorg dus niet alleen voor nectarplanten, maar ook voor waardplanten in de tuin.”

Rutger de Jong (36) heeft twee jaar geleden zijn eigen ontwerpbureau opgericht in Doorn. Hij ontwerpt tuinen die ecologisch waardevol zijn. Die extra laag zit er altijd in. Aan Wageningen Universiteit heeft hij Bos- en natuurbeheer gestudeerd. Na zijn studie deed hij een aantal jaar werkervaring op bij het bedrijf Lily Pond in Wageningen, gespecialiseerd in natuurlijke zwemvijvers. Die werkplek bracht hem op het idee om meer te gaan doen met het ontwerpen van particuliere tuinen. Daarom volgde De Jong bij de OntwerpAcademie de opleiding Tuinarchitectuur. Samen met zijn vrouw Meike heeft hij bij zijn huis in Doorn een natuurrijke tuin van 1.500 m2 aangelegd die is opgenomen in de Open Tuinengids van de Nederlandse Tuinenstichting (Nts). De tuin is op afspraak te bezoeken.
Dit interview is aangeboden door Tuin en Landschap, een van de bladen waar we zelf ook veel inspiratie uit halen. Meld je aan voor de nieuwsbrief, met twee keer per week tips en nieuws uit de sector in je inbox. Of neem een (proef)abonnement op het magazine!

Aan de hand van twee middelgrote tuinen, geeft ze je volop inspiratie voor prachtige bloemenborders:
“De buitenruimte wordt pas echt een tuin met veel mooie planten.”
Verfrissend, praktisch en concreet. Uiteraard zijn de foto’s ook van haar hand.
De plek voor een border of plantvak ligt in veel tuinen voor de hand. Je kunt je echter ook te veel laten leiden door een traditionele indeling, zoals een smalle strook planten naast het gazon. Probeer ook eens een andere plek voor de beplanting!
Als je de maat, de vorm en de juiste plek voor de bloemenborder hebt bepaald, kun je de planten gaan kiezen. Let daarbij op de bloeitijd, vorm, kleur en de hoogte en breedte van een plant. Mooi blad is zeker belangrijk, want de meeste planten bloeien maar enkele weken. Extra zaken waarop je kunt letten bij je keuze: wintergroen, wintersilhouet, geur, vlinderplant en mooie vruchten. Dan zijn er tenslotte de behoeften van de plant, heel belangrijk voor een goede groei en bloei. Houd daarom rekening met de lichtbehoefte van de plant en de bodemeisen. Maart-april is een prima periode om je tuin in te planten.

Deze achtertuin heeft een aparte vorm: het perceel is driehoekig. Achterin is een tuinhuis gemaakt, aangepast aan de vorm van de tuin. Hier kun je heerlijk zitten onder de overkapping. In de borders een beplanting in wit, paars, blauw en roze, mooi tot ver in de herfst. Op de achtergrond twee vakken die helemaal gevuld zijn met struisriet en ijzerhard, in mei bloeit hier de sierui Allium ‘Purple Sensation’ tussen de opkomende siergrassen. In het midden op het pleintje vier wintergroene steeneiken, je kunt deze bomen goed snoeien zodat ze niet te groot worden. Door sterke soorten in wat grotere groepen te zetten is er niet zoveel onderhoud aan deze beplanting.
Plantenlijstje
Witte knoop, Anaphalis triplinervis ‘Sommerschnee’
Struisriet, Calamagrostis xacutiflora ‘Karl Foerster’
Rode zonnehoef, Echinacea purpurea ‘Fatal Attraction’
Bellenplant, Fuchsia magellanica ‘Riccartonii’
Ooievaarsbek, Geranium ‘Rozanne’
Pluimhortensia, Hydrangea paniculata ‘Bombshell’
Russische salie, Perovskia atriplicifolia ‘Blue Spire’
Steeneik, Quercus ilex
IJzerhard, Verbena bonariensis

In deze royale, zonnige voortuin is aan weerszijden van het pad een border gemaakt. Hier kun je tussen de planten doorlopen om er optimaal van te genieten. Vanuit de woonkamer is er een goed zicht op de borders. Dezelfde soorten worden herhaald zodat er een mooi geheel ontstaat, doorafwisseling van kleuren en vormen ontstaan er boeiende combinaties. De witbonte kornoelje heeft fraai blad, in de winter kun je genieten van de rode takken. Het is een zeer sterke struik die je goed kunt snoeien. In het vroege voorjaar bloeit er een mix van kleurige tulpen tussen de vaste planten.
Plantenlijstje
Witte knoop, Anaphalis triplinervis ‘Sommerschnee’
Struisriet, Calamagrostis xacutiflora ‘Karl Foerster’
Bonte kornoelje, Cornus alba ‘Elegantissima’
Ooievaarsbek, Geranium ‘Rozanne’
Zomeraster, Kalimeris incisa ‘Madiva’
Duizendknoop, Persicaria amplexicaulis ‘JS Caliente’ en ‘Rosea’
Duizendknoop, Persicaria polymorpha
Vetkruid, Sedum ‘Matrona’
Andoorn, Stachys monieri ‘Hummelo’
Gelderse roos, Viburnum opulus ‘Compactum’
Wil je hulp bij het ontwerpen en beplanten van je tuin? Volg dan de twee- of driedaagse workshop Ontwerp je eigen tuin. Onder leiding van Peter Kroesen maak je de eerste dag het ontwerp voor je tuin. De tweede dag helpt Modeste Herwig je bij het maken van een beplantingplan.
Meer informatie vind je hier en op www.tuinworkshop.nl
Je kunt boekwerken vol schrijven over het iepengeslacht ofwel Ulmus, de evolutie, de lange cultuurgeschiedenis en de vele hybrides en cultivars. Waar het in deze blog vooral om gaat is de gebruikswaarde voor onze tuinen. Er zijn inmiddels generaties opgegroeid met relatieve onbekendheid t.a.v. iepen, dus een beknopte inleiding is misschien wel op zijn plaats.

In ons rivierenland waren iepen ooit algemeen voorkomende bomen. Op voedselrijke en kalkhoudende bodem ontstonden diverse bostypes met iep als kensoort. Het essen-iepenbos bijvoorbeeld, Fraxino-Ulmetum in de vegetatiekunde genoemd, kenmerkt zich door de zeer goed ontwikkelde en soortenrijke boom-, struik- en kruidlaag, inclusief veel stinsenplanten. Een ecologisch waardevol bostype met grote biodiversiteit.
Iepen bleken zich ook thuis te voelen op vochtige veengronden en bestand tegen zeewind. Dit zorgde in de Middeleeuwen voor succesvolle aanplant langs grachten van steden in kustprovincies, met name in Holland. Amsterdam is nu nog het grote voorbeeld hiervan en in 2005 zelfs uitgeroepen tot Iepenhoofdstad van Europa.

Iepen leveren van oudsher hoogwaardig en waardevol hout. Het geliefde iepenhout bleek voor veel gebruiksvoorwerpen geschikt en bomen werden in de loop der eeuwen veelvuldig gekapt. Daarbij moesten veel bossen op de vruchtbare gronden uiteindelijk wijken voor landbouwgrond. Vanaf het begin van de twintigste eeuw zorgde de iepenziekte nog eens voor een verdere afname van het iepenbestand, uiteindelijk op dramatische schaal. Nu, na bijna een eeuw van diverse kweekprogramma’s, zorgvuldige monitoring en selectie, zijn diverse cultivars resistent gebleken en wordt de iep weer in toenemende mate toegepast in ons landschap en onze steden.

Ulmus is een geslacht van ongeveer 40 soorten. De meeste iepen zijn vrij snelgroeiende en grote bomen die makkelijk met elkaar kruisen. Dit geldt zeker onze 3 inheemse soorten, die op en aantal punten goed te onderscheiden zijn: Ulmus minor, de veldiep heeft visgraatachtige takken met kurklijsten, U. glabra, de ruwe iep heeft qua blad een ruwe bovenzijde en zachtbehaarde onderzijde en U. laevis, de fladderiep heeft gesteelde bloemen en vruchten.
Belangrijke gezamenlijke kenmerken van deze soorten zijn vooral het blad met scheve, ongelijke bladvoet en de dubbelgezaagde bladrand. De bloemen zijn klein, waarbij de witte stempels en rode tot purperen helmhokjes het meest opvallen. De bloei is vroeg, in maart-april en de samara’s, de gevleugelde nootjes, dwarrelen rond juni van de bomen.
Maar wereldwijd zijn er nog veel meer iepensoorten, die afwijken van deze kenmerken door bijvoorbeeld bloei in de herfst, langzame groei, geringe hoogte en vooral: weinig gevoeligheid voor de iepenziekte. Al met al zijn vele soorten gekruist om uiteindelijk bij te dragen aan een gezond iepenbestand.

Afgezien van het inmiddels zeldzame beeld van Ulmus minor als haagplant, worden iepen vrij weinig in tuinen toegepast. Het beeld van de iep als snelgroeiende, grote boom mét gevoeligheid voor iepenziekte is daar natuurlijk debet aan. Maar er zijn ten minste vijf overtuigende redenen om juist wel te kiezen voor iepen in onze tuinen, als je maar de juiste soort kiest.
Allereerst blijken laagblijvende iepensoorten veel minder vatbaar voor de gevreesde schimmelaantasting. Daarnaast is de ziekteverspreiding via de wortels, zoals bij aanplant van grote aantallen in monoculturen, bij tuinen niet aan de orde. Ecologisch zijn iepen van grootbelang, vooral als waardplanten voor veel waardevolle vlindersoorten. Bovendien zijn iepen bomen van de toekomst: ze zijn bestand tegen wind, hitte, periodieke droogte en hoge waterstanden en dat maakt ze klimaat adaptief. En tot slot, iepen zijn prachtige, karaktervolle bomen. En dat is zeker niet de minst belangrijke reden!

Voor particulieren met een groot perceel in het buitengebied, waarbij de voorkeur voor inheemse soorten geldt, is de fladderiep, Ulmus laevis een hele geschikte keuze. Deze forse iepensoort blijkt veel minder gevoelig voor iepenziekte en wordt tegenwoordig ook met succes toegepast in bosplantsoen. Voor grote tuinen in het stedelijk gebied is de vrij recent in Amerika ontwikkelde cultivar ‘New Horizon’ een zeer betrouwbare keuze. Een boom van uiteindelijk 25 meter hoogte, die momenteel veel in openbaar groen wordt aangeplant.
Voor de vele tuinbezitters met een wat meer bescheiden tuinafmeting, zijn er diverse opties met een verscheidenheid aan bladgrootte, -kleur, -vorm en habitus. De bekendste en meest toegepaste soort in tuinen is de goudiep, Ulmus ×hollandica ‘Wredei’, een cultivar van de Hollandse iep. Ulmus ×hollandica is van oudsher een hybride tussen de inheemse soorten U. glabra en U. minor en kent heel veel verschillende cultivars. De cv ‘Wredei’ heeft mooi gekroesd blad, goudgeel bij het uitlopen in het voorjaar, geelgroen in de zomer en een stralend gele herfstkleur. Aanvankelijk een smalle zuilvormige groei, later een ronde kroon en een uiteindelijke hoogte van 7 tot 12 meter. De smalle jeugdvorm blijkt soms misleidend voor tuinbezitters, waardoor de uiteindelijke afmeting helaas zorgt voor vroegtijdige kap. Kennis van de uiteindelijke habitus blijft altijd essentieel bij een boomkeuze, vooral bij beperkte ruimte.
De prieel-iep, Ulmus glabra ‘Camperdownii’ is een treurvorm met mooi groot blad en sterk afhangende takken, waardoor een dicht bladerdek ontstaat. Een langzame groeier met een uiteindelijke hoogte van ongeveer 6 meter. Zoals meestal bij treurvormen zijn het uiteindelijk brede groeiers.
Ulmus minor ‘Jacqueline Hillier’ is een bijzonder fraai, grillig boompje met klein blad. Deze kleine, langzaam groeiende boom wordt uiteindelijk niet hoger dan 4m. Voor tuiniers met minder geduld en behoefte aan ‘instant impact’, zijn volwassen exemplaren verkrijgbaar, elk met een unieke grillige habitus. Wie op zoek is naar een wat onbekendere bol boom, kan kiezen voor Ulmus glabra ‘Nana’ geënt op een stam, de bol-iep. De cultivar benaming nana wordt altijd gegeven aan dwergvormen. Het is een langzame groeier waarvan de hoogte mede afhangt van de entplek, maar zelden hoger wordt dan 5 meter.
Tot slot twee cultivars van de uit Azië afkomstige Ulmus parvifolia, een iepensoort die in verschillende opzichten afwijkt van onze inheemse soorten. Parvifolia betekent klein bladig en het kleine blad heeft een enkel-gezaagde rand. De bloemen zijn zachtgeel en bloei valt in de vroege herfst. De bast heeft een sierlijke afschilfering en wordt in het Engels ‘lacebark’ (kantachtige schors) genoemd. Er zijn diverse cv’s geschikt voor kleine tuinen en zelfs voor toepassing in bakken. De bontbladige cv ‘Geisha’ heeft een zeer grillige, breed-spreidende groeiwijze en wordt niet hoger dan 2m. ‘Hokkaido’ met hele kleine groene blaadjes wordt veel toegepast als bonsai. Vanwege de langzame groei en geringe afmeting perfect voor potten en bakken; een toepassing die bovendien zorgt dat de grillige habitus extra opvalt.
Hopelijk inspireert deze blog plantliefhebbers om iepen vaker toe te passen in tuinen. Met ecologie en klimaatbestendigheid als belangrijke actuele thema’s, hebben iepen veel te bieden. Als perfecte stadsboom zijn ze bovendien heel divers qua verschijning en hebben grote sierwaarde. Daarom is het een mooie ontwikkeling dat er weer meer oog is voor dit prachtige geslacht. Een toekomst met meer iepen is zeker iets om te vieren.