
Grofweg maken we een onderscheid tussen niet‑ontwerpers en ontwerpers. Bij niet‑ontwerpers werkt het vaak zo dat – wanneer een tuin moet worden afgeplant of er een plan moet worden ontwikkeld – de tuin gezien wordt als ‘op te vullen vakken’. Meestal fungeert de plantenwensenlijst van de opdrachtgever als uitgangspunt, waarbij de planten in meer of mindere mate gerangschikt worden. Daarbij worden oplossingen gezocht binnen die lijst. Van een visie – laat staan een helder beplantingsbeeld – is doorgaans geen sprake.
Het gevolg is dat veel tuinen daardoor op elkaar lijken, omdat het wensenlijstje van de opdrachtgever vaak gebaseerd is op populaire, trendmatige planten zoals grootbloemige hortensia’s, olijfbomen, lavendel, leilindes en siergrassen, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Wat we zien is dat wanneer je op deze manier blijft werken, je als professional steeds vaker het gevoel krijgt dat je hetzelfde doet en hetzelfde pad bewandelt. Beplantingsplannen worden dan wat betreft sortiment steeds schraler en uiteindelijk niet meer dan een routineklus, waarbij je gebruikmaakt van een krimpend sortiment.
De werkwijze bij ontwerpers – professionals die een ontwerpopleiding hebben gevolgd – is wezenlijk anders. Voor deze vakgenoten is het hebben van een leidend idee, concept of visie fundamenteel. Anders gezegd: er moet iets zijn op basis waarvan je keuzes kunt maken en toetsen; bovendien werken deze professionals altijd toe naar een concreet beplantingsbeeld dat we kennen vanuit landschap en natuur.
Werken aan beplantingen is een van de lastigste onderdelen van het ontwerpproces. Het valt onder de materialisatiefase. Levenloze materialen zoals steen en hout, maar ook levende materialen zoals beplanting, zijn middelen waarmee wij de onderliggende ontwerpideeën tot uitdrukking brengen.
Met deze benadering dwingen we onszelf om op een kritische manier naar materiaal te kijken. Welke hoogte, vorm, textuur en sierwaarde hebben we nodig om onze ideeën uit te drukken? Je begrijpt dat wanneer je het hebt over leilindes, de zoektocht eindigt bij leilindes en niet verder gaat naar waar je als ontwerper eigenlijk naar op zoek bent.

Beplantingsplannen maken deel uit van het ontwerpproces en vormen dus een logische vervolgstap. Ontwerpers werken van grof naar fijn: eerst komen de visie, groenstructuren en het beplantingsindicatieplan (BIP). Door de ontwerpmiddelen te benoemen in termen van hoogte, vorm, textuur en sierwaarde creëer je selectiecriteria op basis waarvan je de plantenlijst samenstelt. Hier horen ook criteria als insecten lokkend of vruchtdragend.
Je zult merken dat je met deze werkwijze automatisch op andere soorten uitkomt en dat het een uitputtender beroep doet op je plantenkennis.

Ontwerpers zijn creatievelingen die zich – professioneel gezien – op allerlei manieren vanuit verschillende bronnen laten inspireren. Exposities, kunst, dansvoorstellingen, muziek; het kan allemaal. Elke bron of uiting kan dienen als inspiratie. Het gaat erom dat je beschikt over technieken waarmee je ideeën kunt uitwerken en – zoals in dit artikel – kunt vertalen naar beplantingen.

Bedenk dat ontwerpers verhalenvertellers zijn. Misschien wordt dat verhaal wel het meest zichtbaar in de beplanting. Een goed verhaal heeft een begin – een aanleiding – en een plot. Begin en eind worden verbonden door een logische en boeiende verhaallijn. Met beplanting is dat niet anders.
Onze middelen zijn echter anders dan die van schrijvers: wij werken niet met woorden, maar voornamelijk met beelden. Dat maakt ons werk soms abstract, maar het is altijd gericht op het uitdrukken van ideeën. Verwijzingen en symboliek zijn daarbij inherent.
Wat ontwerpers níet doen, is 1-op-1 kopiëren. “U vraagt een heidetuin, dan krijgt u een heidetuin.” Zo werkt het niet. Ontwerpers vragen zich af wat de essentie is van een heidelandschap. Hoe zit het ruimtelijk, qua texturen en kleuren in elkaar? Welke contrasten zijn er? Welke aspecten kan ik gebruiken om een goede vertaalslag naar een tuin te maken? Dezelfde vraag gaat op voor prairietuinen, wat is een prairielandschap in essentie en welke varianten zijn er of ken je? De graslandschappen van Piet Oudolf zijn een persoonlijke interpretatie. Studie en nieuwsgierigheid zijn onontbeerlijk.
Daarnaast hebben we te maken met het fenomeen schaal, die ons dwingt kritisch na te denken over deze ontwerpaspecten. Het gevoel van ruimte is bijvoorbeeld typisch voor een heidelandschap. Hoe ontwerp je die ruimtelijkheid in een tuin van 10 × 10 meter? Dát is onze opdracht, onze kennis en onze professionaliteit als beplantingsontwerper. Een tuin is een stille verwijzing naar landschappen.
Onze werk gaat eigenlijk over toegepaste kunst: een schilder maakt autonome kunst; ontwerpers maken toegepaste kunst. Wij interpreteren, herinterpreteren, onderzoeken, stellen vragen en transformeren ideeën naar de schaal van de tuin of border.

Ontwerpen en het maken van beplantingsplannen is een puur subjectieve bezigheid. Gelukkig maar! Onze taak is om de keuzes die wij maken te onderbouwen – juist omdat het subjectief is. Wanneer je bijvoorbeeld een compositie maakt op basis van een muziekstuk, is dat subjectief én een individuele waarheid. Tegelijkertijd is het een techniek om tot een compositie – een patroon – te komen die je kunt inzetten voor het maken van een (border)beplanting.
Een compositie zou je moeten kunnen beschrijven met een paar kernwoorden: – gaat het om contrast? Zoja welk contrast: kleur, vorm, licht/donker? – zoek je ritme? – is het lieflijk en ondergeschikt? – of ruig, onstuimig en chaotisch?
Ongeacht hoe de compositie eruitziet, die steekwoorden vormen het uitgangspunt of de kapstok. Daarmee heb je de sleutel in handen om via vereenvoudiging van de compositie en het koppelen van H, V, T en S aan die compositie tot duidelijke selectiecriteria te komen.
Eenvoud en less is more zijn cruciale uitgangspunten, want uiteindelijk is het de opgave om te komen tot een tuin, beplantingsbeeld of borderbeplanting.
Er zijn nog een paar punten die helpen om de beplantingsopgave helder te duiden.
Een referentiebeeld is een beeld waarmee je de essentie van je ingreep of idee weergeeft. Dit is iets anders dan een moodboard, dat juist sfeer en materiaal toont. De kunst is om een treffend referentiebeeld te vinden. Ook hier speelt eenvoud een rol.
Praten over beplanting is tijdrovend want te gedetailleerd. Zowel jijzelf als de opdrachtgever zijn gebaat bij heldere beelden, de grote lijn. Probeer niet te verzanden in eindeloze opsommingen van soorten, maar probeer het te vangen in een overkoepelend beeld.
Frame je verhaal en richt het op een beeld dat jij en je opdrachtgever kennen vanuit wandelingen en vakanties. Het is oneindig veel makkelijker wanneer je ‘het bos ’als vertrekpunt neemt en de kenmerken van dat bos benoemt die jij relevant vindt. Met een referentiebeeld maak je het verhaal tastbaar.
En uiteraard had je als ontwerper al onderzocht wélk bos je voor ogen hebt: donker of licht, open, mysterieus, feeëriek, streng, vriendelijk, enzovoort.

Wil je op de hoogte blijven?
Wordt dan lid van onze community OA-Connect of houd de andere social media kanalen in de gaten.