























“De workshop Ontwerp je eigen tuin heeft ons enthousiasme aangewakkerd. De indeling voor de tuin is helder en we kunnen nu ook beter de best passende tuinplanten kiezen.” – Haye
Wil je zelf je eigen droomtuin ontwerpen, maar kun je hierbij wel wat hulp gebruiken? Tijdens de twee- of driedaagse workshop Ontwerp je eigen tuin maak je eerst het ontwerp voor je tuin en daarna het beplantingsplan. Het blijkt voor velen de ideale opmaat voor het zelf aan de slag gaan: effectief, doeltreffend én het geeft veel voldoening. Want wat is er nu leuker dan straks in je eigen ontwerp te genieten van je tuin en elke dag weer nieuwe ontdekkingen te doen?
In maart starten de workshops weer, in deze blog neemt beplantingsspecialiste Modeste Herwig je alvast mee met nuttige tips en aansprekende voorbeelden.
Samen met tuin- en landschapsontwerper Peter Kroesen kijk je tijdens de eerste dag van de workshop naar de gewenste sfeer die je tuin moet krijgen en de harde materialen die daarbij passen. Veel aandacht besteedt Peter aan het bepalen van de rode draad voor je ontwerp, het concept. Wat zijn je uitgangspunten, wat past bij jou, je huis en de omstandigheden, hoe gebruik je je tuin? Kortom: hoe kun je met je tuin uitdrukking geven aan je ideeën. wensen of betekenissen. Peter is als geen ander in staat je te helpen zoeken naar de rode draad. Vervolgens maak je eerst een schets om goed naar alle mogelijkheden en wensen te kijken. In de tweede fase werk je de definitieve versie van je ontwerp uit.

1. Wat voor tuin wil je? Stel jezelf eerst de vraag: wat wil ik precies? Een formele tuin om naar te kijken, een fijne speeltuin voor dekinderen, of bijvoorbeeld een strakke tuin met kleurige borders. Maak een wensenlijstje van tuinonderdelen en verzamel knipsels en ander materiaal van tuinen die je aanspreken. Denk ook aan de praktische kant, een pad naar de schuur of bijvoorbeeld houtopslag, en de financiering van het project.
2. Structuur bepalen. Een tuinontwerp zorgt voor een indeling van de ruimte, een duidelijke structuur van vlakken en lijnen. Symmetrie, strakke lijnen en grote vlakken geven rust, een asymmetrisch patroon zorgt voor de nodige spanning. Paden en terrassen vormen het raamwerk van een tuin. Teken een evenwichtige compositie op de plattegrond van je tuin.
3. Harde materialen kiezen. Het karakter van de tuin wordt voor een groot deel bepaald door de gebruikte harde materialen. Bepaal van tevoren welke stijl de tuin moet krijgen en kies materialen die daar bij passen. Twee tot drie verschillende materialen zijn over het algemeen voldoende.

Tijdens de tweede dag van deze workshop gaan we de beplanting ontwerpen, ik help je daarbij samen met beplantingsdeskundige Miranda Spaan. De buitenruimte wordt pas echt een tuin met veel mooie planten! Als je de maat, de vorm en de juiste plek voor de beplanting met hulp van Peter tijdens de eerste dag hebt bepaald, kun je de planten gaan kiezen. Let daarbij op de bloeitijd, vorm en kleur en de hoogte en breedte van een plant. Mooi blad is zeker belangrijk, want de meeste planten bloeien maar enkele weken. Extra zaken waarop je kunt letten bij je keuze: wintergroen, wintersilhouet, geur, vlinderplant en mooie vruchten. Dan zijn er tenslotte de behoeften van de plant, heel belangrijk voor een goede groei en bloei. Houd daarom rekening met de lichtbehoefte van de plant en de bodemeisen. Als we goed naar alle wensen en mogelijkheden hebben gekeken, teken je het beplantingsplan in op de plattegrond van je tuin.

In de royale, zonnige voortuin op bovenstaande foto, is aan weerszijden van het pad een border gemaakt. Hier kun je tussen de planten door lopen om er optimaal van te genieten. Vanuit de woonkamer is er een goed zicht op de borders. Dezelfde soorten worden herhaald zodat er een mooi geheel ontstaat, door afwisseling van kleuren en vormen ontstaan er boeiende combinaties. De witbonte kornoelje heeft fraai blad, in de winter kun je genieten van de rode takken. Een super sterke struik die je goed kunt snoeien. In het vroege voorjaar bloeit er een mix van kleurige tulpen tussen de vaste planten.
Witte knoop, Anaphalis triplinervis ‘Sommerschnee’
Struisriet, Calamagrostis xacutiflora ‘Karl Foerster’
Bonte kornoelje, Cornus alba ‘Elegantissima’
Ooievaarsbek, Geranium ‘Rozanne’
Zomeraster, Kalimeris incisa ‘Madiva’
Duizendknoop, Persicaria amplexicaulis ‘JS Caliente’ en ‘Rosea’
Duizendknoop, Persicaria polymorpha
Vetkruid, Sedum ‘Matrona’
Andoorn, Stachys monieri ‘Hummelo’
Gelderse roos, Viburnum opulus ‘Compactum

Is je tuin groter dan 800 vierkante meter? Volg dan de workshop Ontwerp je eigen tuin XXL. In een eerdere blog kun je meer lezen over deze workshop. Gelijk inschrijven voor de twee-of driedaagse workshop kan natuurlijk ook!
“Prettige en leuke workshop. De investering meer dan waard!” – Ellen

“Ik was tijdens mijn examenopdracht veel tijd kwijt aan het uitzoeken van de juiste beplanting. Nu merk ik dat ik steeds meer parate kennis heb over welke planten wel en welke minder verstandig zijn om te gebruiken op een bepaalde plek"
"In november 2019 startte ik met de opleiding Tuinarchitectuur. Kort daarvoor had ik besloten een dag minder te gaan werken en was binnen de school waar ik met veel plezier werk, geswitcht van afdelingsleider onderbouw naar docent Onderzoek & Ontwerpen. Ik had weer behoefte aan werken vanuit vormgeving en was toe aan nieuwe dingen leren. Mijn oorspronkelijke studie is een kunstvakopleiding, ik was acht jaar docent handvaardigheid en kunstgeschiedenis. Daarnaast ontwikkelde ik door de jaren heen steeds meer liefde voor groen en tuinieren. In het weekend zit ik altijd wel ergens in een tuin te prutsen, heerlijk vind ik dat. Dus toen ik na wat zoeken op internet bij de OntwerpAcademie las over Tuinarchitectuur, leek me dit precies wat ik zocht. Ook sprak me de instroommogelijkheid aan waardoor de klassen bestaan uit zeer gemotiveerde studenten met heel verschillende achtergronden.

En, het bleek een schot in de roos. Aan de ene kant de overlap met mijn interesses en aan de andere kant alsof er een nieuwe wereld werd geopend. De opleiding, de manier van lesgeven, de ecologische basis en de verrassende invalshoeken – het levert naar mijn idee echt iets anders op dan de doorsnee groenopleiding. Wat ik bijvoorbeeld prettig vond was dat er in de les ook beeldend kunstenaars en niet-groenontwerpers als inspiratiebronnen werden aangehaald. Ook het in de klas bespreken van elkaars werk, heeft me veel gebracht. Een originele opdracht waar ik regelmatig aan terugdenk is waarbij we tuinmaterialen gingen fotograferen op het terrein van TuinVisie in Utrecht. Van die stapels tegels en gebundeld tuinhout maakten we vervolgens een uitsnede die we als basis gebruikten voor een tuinontwerp. Een echte ‘Dolf-opdracht’ en heel inspirerend.

De opleiding Tuinarchitectuur ben ik heel onbevangen gestart. Ik dacht: ik ga gewoon beginnen en kijk wat het me brengt. Halverwege bleek ik het zó leuk te vinden dat ik voorzichtig serieuzere plannen begon te maken. Omdat ik daarnaast sowieso graag mijn kennis over planten wilde uitbreiden en uitdiepen, besloot ik na Tuinarchitectuur gelijk verder te gaan met Plantenkennis. Je kunt als liefhebber een hoop opzoeken op internet, maar een gedegen cursus is wel even wat anders. Bovendien is het essentieel als tuinontwerper dat je weet welke beplanting je het beste kunt kiezen om het beeld te krijgen dat je voor ogen staat. Ik ben nog niet eens halverwege, maar nu al merk ik dat ik steeds meer parate kennis heb over wat wel en wat niet verstandig is om te gebruiken op een bepaalde plek voor een specifiek ontwerp.
Goed aan de cursus vind ik hoe de opbouw van de lessen samenhangt met wat er op dat moment in die periode interessant is om te zien. Beide docenten hebben ontzettend veel kennis en de toepasbaarheid is altijd hun uitgangspunt. Het is wel aanpoten omdat de docenten veel laten zien en behandelen. Voor mij werkt het ’t beste mij goed voor te bereiden, anders gaat er teveel langs me heen. De aansluitende bezoekjes aan Greenlink in Hazerswoude-Dorp en andere kwekerijen vind ik een heel fijne aanvulling. Zo zie je ruimtelijke effecten van de planten die we in de lessen bespreken. Ook hier gaat het weer om de toepasbaarheid. Zo waren we op een winderige novemberdag op bezoek bij een grassenkwekerij en ervaarde ik concreet het effect van wuivende grassen in verschillende kleuren.

Vorig jaar hakte ik de knoop door en besloot echt aan de slag te gaan als zelfstandig tuinontwerper. En deze maand heb ik mijn eerste eigen tuinontwerp opgeleverd! Wat voor mij bovenaan staat als ik met een ontwerp begin? In eerste instantie de wensen van de klant. Het is hún tuin, zij moeten zich er gelukkig in voelen. Vervolgens is het leuk als ik de opdrachtgever kan meenemen of als we samen kunnen toewerken naar een verrassend ontwerp waar schoonheid van de beplanting en een goede compositie de meeste nadruk krijgen. Tegelijkertijd, een tuin waar je je in de meest vreemde bochten moet wringen om je fiets in de berging te kunnen zetten… dát vind ik niet sterk. Binnen een tuinontwerp moet je altijd rekening houden met de gebruiksfuncties. Tja en wat ik wil meegeven aan een ontwerp?” Lachend: “Het zou wel heel leuk zijn als mijn tuinontwerp het zou winnen van Netflix. Je kunt toch beter afgeleid zijn door wuivende bamboe dan een matige serie op televisie? Hoe mooi is het als je blikken kunt vasthouden met iets dat goed is ontworpen?

Het bewerkstelligen van een groene verandering rondom iemands woning is altijd geweldig. Dat je van een kleine patiotuin met vurenhouten schuttingen, driefietsen en een konijnenhok een aangename plek kunt maken met groen, kleur en het liefst ook geur, geeft op zijn minst voldoening. Maar het meest aantrekkelijke voor mij is dat je boven een plattegrond met potloden en geknipte vormen kan schuiven tot je iets nieuws hebt wat je in je gedachten al kunt voorstellen. En dan het liefst ook nog in drie of vier varianten. Dát vind ik het allerleukste aan het ontwerpvak. Als ik denk aan een (ontwerp)droom voor de toekomst, lijkt me een binnentuin van een bungalow of schoolgebouw heel gaaf om te doen. Een tuin ontwerpen waar je op uitkijkt vanuit diverse ruimtes.”
www.irmajansentuinontwerp.nl


Onze tuin noemen wij ons kleine paradijs. We voelen ons ‘bofkonten’ met de flinke lap grond midden in de Randstad! Zowel mijn man – een rasechte boomkweker – als ik, net begonnen als docent Plantenkennis bij de OntwerpAcademie, genieten er met volle teugen van.

De tuin heeft een kader van wat grotere bomen, van inmiddels zo’n dertig jaar oud, een verdeling in drie tuinkamers met hier en daar flinke pollen niet woekerende bamboe, Fargesia. Dit alles geeft beschutting voor de wintertuin. De noordoosten wind wordt op deze manier zoveel mogelijk tegengehouden en biedt ons de kans om 'kantje boord’ planten uit te proberen, met planten die net wel, net niet winterhard zijn in het westen van Nederland. Die moeten het vervolgens dan echt zelf redden, we dekken ze niet af. We vragen grote zelfredzaamheid van onze planten. Eén van onze favorieten in dit verband is Daphne bohlua ‘Jacqueline Postill’.

Daphne – of Peperboompje in het Nederlands – hoort bij de Thymelaeaceae/Peperboompjesfamilie en is dus de naamdrager van deze familie. We kennen het Peperboompje als een oudroze, bladverliezend struikje met een typische vertakking die het vooral goed doet op klei. Daphne bohlua komt van origine voor in het Himalayagebergte en wordt Nepalese papierplant genoemd.
Deze Daphne is wintergroen en wordt groter dan D. mezereum, zoals het bekende Peperboompje heet. Uit zaailingen heeft de Engelse veredelaar Postill – in dienst bij de beroemde kwekerij Hillier – er één geselecteerd die beter zijn blad vasthoudt in de winter. De selectie bleek bovendien beter bestand tegen kou en geurde net zo heerlijk als de soort. Reden genoeg voor Mr. Postill om hem op de markt te brengen. En, het privilege bij een eigen gevonden selectie is dat je hem zelf een naam mag geven. Mr. Postill noemde de plant naar zijn vrouw Jacqueline.
Bij ons in de tuin is deze bladhoudende heester inmiddels al meer dan 2 meter hoog en zo’n 70 cm breed. Voor Nederlandse begrippen een flink exemplaar! Over het algemeen zijn Daphne soorten niet gemakkelijk maar deze doet het heel goed, ook op onze veengrond. Wel hebben we 'm net iets hoger geplaatst zodat hij niet te nat komt te staan bij veel regenval. Elke winter staat onze Daphne te bloeien en te geuren van eind januari tot ver in maart en maken de eerste rondvliegende insecten dankbaar gebruik van zijn nectar.

Nou hadden we in 2018 nog een nijdig staartje winter in maart dat ons, trots op onze eyecatcher, toch bezorgd maakten voor bevriezing. Tegen onze principes in hebben we Daphne toen toch – letterlijk en figuurlijk – een jas gegeven om zon en wind van het blad af te houden. Want dat is het geheim van de smid: een wintergroene plant blijft verdampen in tegenstelling tot de bladverliezende heesters. Maar als de wortels in bevroren grond staan, kan er geen vocht opgenomen worden en staat hij gewoon te vriesdrogen. Zorg je dat de wind en/of zon er niet bij kunnen komen, dan krijgt de plant het niet zo voor zijn kiezen.
Raadzaam is dan om ademend materiaal te gebruiken om mee af te dekken. Geen plastic, dan maak je er een broeikasje van waarin de temperatuur juist zal oplopen, wat nog meer verdamping veroorzaakt. Dus gebruik jute of een oud gordijn, een stuk vliesdoek is helemaal mooi. Staat een plant in een pot, dan is het aan te bevelen om bubbeltjesfolie om de pot te wikkelen zodat de plant rustiger bevriest en weer ontdooit.
Onze Daphne staat er nu – begin januari 2022 – al weer veelbelovend bij: de knoppen zitten klaar, het loof is mooi donkergroen. Nog even en we kunnen weer genieten van dit jaarlijkse spektakel van bloem en geur!


Het woord biodiversiteit is een samenvoeging van de twee begrippen biologisch en diversiteit. De term biodiversiteit wordt gebruikt om de verscheidenheid van levende organismen in een bepaald gebied aan te duiden. Dit gebied kan een continent zijn, een land of... je achtertuin. Het omvat alle dieren, planten en micro-organismen die samenwerken in een ecosysteem.
Veel biodiversiteit betekent dat er sprake is van een hoge mate aan verscheidenheid in soorten. Hoe groter de aanwezigheid van veel verschillende soorten flora en fauna, hoe complexer en minder kwetsbaar het systeem. Denk maar aan een bos, daar kun je onder andere een kruidenlaag, struwelenlaag en bomenlaag onderscheiden. Complexe systemen zijn over het algemeen minder kwetsbaar voor ziekten en plagen, een grotere soortenrijkdom betekent namelijk dat de groepsgrootte van een soort kleiner is, er zijn immers meer soorten op dezelfde oppervlakte. Als je een bos vergelijkt met bijvoorbeeld een maïsveld – een gebied met maar een soort, namelijk maïs – dan kun je je voorstellen dat bij het uitbreken van een plaag een maisveld kwetsbaarder is. Het effect van een schimmelaantasting zal groter zijn. Er zal dan alles uit de kast moeten worden gehaald om de aantasting de kop in te drukken. In de openbare ruimte zien we een soortgelijk probleem in de bestrijding van de eikenprocessierups bij ellenlange lanen die zijn aangeplant met dezelfde soorten eiken. Ook hier is het systeem te weinig complex, te weinig gelaagd, te weinig gevarieerd in soorten en dus kwetsbaar.

Biodiversiteit is dus belangrijk. Als we kijken naar de natuur vinden we daar ook antwoorden op onze vragen. Want de natuur laat niets onbenut en komt biodivers gezien altijd met de meest optimale oplossing binnen de gegeven omstandigheden. Braakliggende grond bestaat praktisch niet. En als we maar lang genoeg wachten veranderen zelfs de meest harde omgevingen in groene oases met een veelheid aan soorten. Het plaatsje Doel aan de westkant van Antwerpen is daar een mooi voorbeeld van. En Louis Le Roy was ons midden jaren ‘70 van de vorige eeuw al voor met zijn ecokathedralen.
“De natuur laat niets onbenut en komt biodivers gezien altijd met de meest optimale oplossing binnen de gegeven omstandigheden”
Meer diversiteit in flora en fauna betekent meer variatie in levensgemeenschappen. Meer diversiteit in levensgemeenschappen ontstaat als er sprake is van variatie in groeiplaatsomstandigheden zoals grondsoort, voedingstoestand, zuurgraad, waterhuishouding, oriëntatie op zon en wind. Naast het gamma aan abiotische omstandigheden zijn aspecten als schaal, variatie en porositeit bepalend voor die diversiteit. Een tuin op het zuiden die volledig is verhard met kleinschalig materiaal als een klinker, heeft ecologisch - hoe beperkt ook - meer te bieden dan wanneer dezelfde tuin is verhard met grootschalige tegels met nauwelijks voegen. Als we in dit voorbeeld variëren met de grootte van de voegen, dan levert dat ecologisch gezien nog meer op. Meer porositeit betekent dat je nadenkt over het creëren van meer oppervlakte, gaatjes, randjes, kuiltjes enz. waar insecten terecht kunnen voor nestgelegenheid, voedsel en veiligheid. Dat effect wordt sterker als een deel van de verharding hoger of juist lager ligt.
De geleidelijkheid in overgangen speelt een alles bepalende rol. Gradiënten noemen we dit in de ecologie. Hoe geleidelijker het gradiënt hoe meer kansen er bestaan voor habitats. Een overgang van droog naar nat is een goed voorbeeld dat we allemaal wel kennen. Een natuurvriendelijke oever is een oever met een geleidelijk verloop van nat en laag naar droog en hoger. Hoe breder de oever, hoe meer kansen je creëert voor bepaalde levensgemeenschappen.
Het plaatsen van een schoeiing zorgt juist voor een abrupte overgang van nat naar droog. Deze ‘oplossing’ biedt nauwelijks kansen voor biodiversiteit.

Uit dit voorbeeld blijkt direct dat we in de praktijk keuzes zullen moeten maken. Er is niet altijd voldoende ruimte, tuinen zijn beperkt wat betreft afmetingen en over het algemeen hebben we veel wensen op ons verlanglijstje staan die allemaal een plek moeten krijgen in diezelfde tuin.
Werken aan biodiversiteit start met een gedegen inventarisatie van de situatie ter plekke waarbij je de bestaande situatie zoveel mogelijk als uitgangspunt neemt en verbindt met de wensen en eisen van de opdrachtgever. Met vakkundig ontwerpwerk creëer je bewust kansen en groeiplaatsomstandigheden die aansluiten bij de schaal en het gebruik van de tuin. Het maken van duidelijke ontwerpkeuzes is onlosmakelijk verbonden met biodivers ontwerpen want veel tuinen zijn te klein om er maar van alles te willen. Beter een goed geplaatste boom die tot in lengte van jaren kan blijven staan dan de tuin op voorhand vol zetten met vermeende insectenvriendelijke planten. Maak gebruik van wat er is en ontwerp bewust groeiplaatsfactoren en stem daar de beplanting op af. Bovenstaande is overigens vooral een pleidooi voor het integraal benaderen van het ontwerpvraagstuk met een unieke benadering per tuin, want, de ‘biodiversiteitslat’ ligt bij elke tuin weer anders.
“Met vakkundig ontwerpwerk creëer je bewust kansen en groeiplaatsomstandigheden die aansluiten bij de schaal en het gebruik van de tuin”
In de huidige praktijk zien we twee uitersten: aan de ene kant de dier-, plant- en eetvriendelijke tuin inclusief het verticaal tuinieren. Aan de andere kant de ultra strakke tuin, vaak als verlengde van de woonkamer inclusief alle technische voorzieningen en luxe overkappingen. Het een is niet per se beter dan het ander. Wel geldt: hoe strakker de tuin, hoe groter de afstand tot biodiversiteit. Een goede tuinontwerper zoekt per situatie naar kansen en verknoopt op vakkundige wijze de potentie van de plek met de eisen van de opdrachtgever. Ontwerpers regisseren, leggen accenten en maken het eigene van de plek beleefbaar. De biodiversiteit als functie van het hedendaagse tuinontwerp is in balans en steeds afgestemd op het best haalbare. Het boek ‘De Groene Omgeving’ van Arie Koster levert inspiratie over hoe je kunt ontwerpen met natuurbeelden.