
De term ontwerpprincipes suggereert voor mij dat je werkt met een aantal vaste uitgangspunten waarmee je een ontwerp kunt benaderen. Wanneer het echter gaat om de vraag hoe je bepaalde ruimtelijke ervaringen of waarnemingen kunt creëren, is de term ruimtelijke effecten passender. Ruimtelijke effecten beschrijven namelijk het resultaat dat je wilt bereiken in een ruimte. Voorbeelden hiervan zijn:
Om ruimtelijke effecten te realiseren, maken we gebruik van ontwerpmiddelen. Onze ‘gereedschapskist ’zit vol met gereedschappen als: texturen, vormen, kleuren, monochroom, hoogtes, transparant, compact, open, glad, glimmend, dof, licht, donker, afmeting, verhouding. Door het bewust inzetten van deze middelen en een combinatie ervan, maken we onze onderliggende ontwerpideeën expressief.
Een paar van die effecten kun je specifiek betrekken op hoe je (de grootte van) de tuin ervaart, de ruimtelijkheid en het karakteristieke van de tuin. Daar ben je vrij in, maar voor alle bovenstaande keuzes en ingrepen geldt dat je het doet (of zou moeten doen) vanuit een duidelijk te bereiken doel dat aansluit bij de onderliggende ontwerpuitgangspunten en het concept.
Perspectief is overal. Het is zoals we de wereld zien en hoe beeldelementen zich bij ons aandienen. Elementen die verder weg staan, lijken kleiner, lichter van kleur en zijn vager ten opzichte van elementen die op de voorgrond staan. De mate van weidsheid of openheid — dus hoe ver weg je kunt kijken, of nog anders gezegd de aanwezigheid van een horizon — is bepalend voor het perspectivische gevoel. Het uitzicht over een polder is als perspectivisch effect tastbaarder dan het perspectiefeffect in een kleine tuin. Dat effect van ver weg kijken in de ochtend of aan het begin van een zomeravond kennen we allemaal wel. We noemen het atmosferisch perspectief, dat berust op het gegeven dat elementen die het verst van ons zijn verwijderd vaag, grijsachtig en lichter van toon zijn dan de elementen die op de voorgrond staan.

Ontwerpers zijn zich bewust van de afmetingen, verhoudingen en kwaliteiten van de ruimte. Ontwerpmiddelen zoals hierboven genoemd zetten we bewust in om bepaalde effecten te bereiken. Een kanttekening is hier wel van belang: Het effect van (ruimtelijke) ingrepen blijft enigszins betrekkelijk, omdat het van een aantal factoren afhangt en het effect afhankelijk is van de relatie die een kleur heeft ten opzichte van de omringende kleuren en planten. Je kunt je voorstellen dat een kleur opvalt in een context die overwegend groen is.
Beter is het om te zorgen voor een goed plan dat werkt, waarbij je met het finetunen duidelijke keuzes maakt voor kleuren, texturen enz.
Laten we eens kijken naar een aantal ruimtelijke effecten of ingrepen die een zeker effect kunnen bewerkstelligen. En nogmaals: verwacht geen enorm spectaculaire effecten. Hoe kleiner de tuin, hoe subtieler de ingrepen en de effecten zullen zijn.
Je kunt diepte suggestie versterken door te werken met een verloop in textuur, kleur en hoogte.
Begin eens met een onderzoekje in het landschap. Let op de horizon en kijk hoe de landschapselementen ogenschijnlijk kleiner worden naar de horizon toe. Hetzelfde effect is ook te zien op een plein of grotere tuin. Maak maar eens een foto het liefst een foto waarbij je aan de ene kant een bouwkundig element ziet zoals een muur, gebouw, dak o.i.d. Let er op hoe de muur ogenschijnlijk hoog begint aan het begin van de foto en lager uitkomt achterin de foto. Dat is perspectief. Het lijkt alsof elementen die verder van ons verwijderd zijn kleiner zijn en dichter op elkaar zitten. De kleuren zijn vaak minder uitgesproken en de elementen en texturen lijken zich meer met elkaar te vermengen. Je voelt al dat afstand hier een belangrijke factor is. Hoe groter de afstand hoe meer je dat effect zult ervaren.

In een tuin kunnen we een aantal middelen in zetten om dit effect enigszins te bereiken. Op de voorgrond werken we wellicht met wat meer hogere (groene) elementen, die grover van textuur zijn terwijl achterin de tuin het accent ligt op wellicht iets lagere elementen met een fijnere textuur.
Onderzoek maar eens de verschijningsvorm van een wilg met zijn fijne textuur, smalle groengrijze bladeren, of een berk. En vergelijk zo’n boom dan eens met een kastanje die een veel grovere textuur heeft, donker blad en een compacte kroon. De wilg ‘wijkt’ terwijl de kastanje op je ‘afkomt’.
Het zelfde geldt voor het inzetten van kleuren en licht en donker effecten. Relatief felle kleuren aan het begin van de zichtlijn doet de andere kleuren relatief minder opvallen. Het zijn dit soort graduele middelen die we kunnen inzetten. Verwacht er echter geen spectaculaire situaties van. Op dit vlak kunnen we veel leren uit de schilderkunst. Rembrandt was een meester als het gaat om het werken met licht. Zijn licht-donker effecten zijn bijzonder. Zo zou je een plek achterin de tuin op een bepaalde manier op kunnen laten lichten door te werken met bomen en struiken die net een andere kleur, textuur en mate van transparantie.

De twee primaire kleuren rood en blauw ‘jutten’ elkaar op. Het rood contrasteert sterk door de blauw-groene context. De tulpen zijn ook hoger. De mengverhouding speelt hierin ook een rol.
Denk na over hoe je de aanwezige tuinonderdelen kunt inzetten om het beoogde effect te vergroten. Een pad waarvan de straatrichting in de lengte richting loopt helpt om de tuin langer te laten lijken.
Een focus punt in de eerste helft van de tuin doet het achterste deel van de tuin optisch gezien wegvallen. Beplanting die je net iets hoger op laat groeien maakt een doorgang smaller en kan bijdragen aan het gevoel dat een tuin lager is.

De vraag is of je — om een tuin langer te laten lijken — met elementen zou kunnen werken, bijvoorbeeld een pergola met bogen die naar achteren toe kleiner worden. Dit verschijnsel wordt ook wel ‘versneld perspectief ’genoemd.
Er spelen een paar zaken die belangrijk zijn om mee te nemen.
De afmetingen en de verhoudingen van een tuin spelen een rol. Bij een tuin met (maar) een diepte van 7 meter is het naar mijn idee nauwelijks te doen om de tuin groter/dieper te laten lijken.
Pas op met het toepassen van versneld perspectief, omdat het snel gekunsteld wordt, zeker met een bouwkundig element als een pergola met bogen. De vraag is sowieso of dat soort bouwkundige elementen zich lenen voor een dergelijke ingreep. Tot slot: stel je past versneld perspectief toe met behulp van een ‘lager wordende pergola’, vraag je dan af hoe laag het achterste deel is en hoe je dat ruimtelijk ervaart als je daar achter in de tuin zit of loopt.
In de afbeelding hieronder heeft de ontwerper een diagonaal in een doorgaand pad geïntroduceerd. Het onderliggende doel zou kunnen zijn om de trap links in het groen te verbinden.


Wil je op de hoogte blijven?
Wordt dan lid van onze community OA-Connect of houd de andere social media kanalen in de gaten.