

























Laten we eerst eens kijken naar wat een voedselbos is en wat een ecotuin.
Een voedselbos is een bosachtig systeem bestaande uit meerdere vegetatielagen en gemaakt om voedsel te produceren, hetzij voor individueel gebruik dan wel voor grotere groepen particulieren. Agroforestry zijn grootschalige voedselbossen, waarbij het primaire doel voedselproductie is. Deze grootschalige en professionele systemen zijn nog volop in ontwikkeling. Duidelijk is al wel dat als er gekozen wordt voor een strokensysteem er grote oppervlaktes nodig zijn om op rendabele wijze voedsel te produceren.
Kenmerk van een voedselbos is dat de plantensoorten in het bossysteem zodanig zijn geselecteerd dat de gewassen elkaar helpen en weerbaarder blijven tegen ziekten en plagen ten gunste van meer vruchtvorming. Hoe gevarieerder de soortensamenstelling hoe stabieler het systeem zal zijn. De vegetatielagen zijn: kruidenlaag, struikenlaag (struweel) en bomenlaag. Bedenk dat het idee van een voedselbos ontleend is aan de ecologie dat betekent dat het allemaal gebaseerd is op een gezonde bodem.
Vanuit de ecologie weten we ook dat successie overal en altijd aanwezig is. Je kunt dat proces niet stopzetten. Een vegetatie ontwikkelt zich continu, pioniersvegetaties gaan over naar houtige – meer bestendige – begroeiingen. Bestrating die we niet onderhouden zal veranderen in een graslandschap. Dezelfde mechanismen gelden natuurlijk ook voor voedselbossen, ook daar treedt successie op en dus onderlinge concurrentie. De bomen worden groter en oefenen daarmee invloed uit op de groeiplaatsomstandigheden. Meer schaduw zal de groei in de onderliggende lagen remmen met een lagere oogst tot gevolg. Uiteindelijk zal de kruidenlaag verdwijnen of uitwijken naar de meer zonnige delen in het systeem.
Een voedselbos voor particuliere voedsel productie is onderworpen aan dezelfde ecologische mechanismen van successie. Ook hier zal onderhoud nodig zijn om te voorkomen dat het een climaxbos wordt met overwegend schaduwrijke plekken. Afhankelijk van de grootte van het voedselbos, de soortensamenstelling en het gepleegde onderhoud is een bepaalde hoeveelheid voedsel te oogsten. Vooralsnog zal dit, in mijn ogen, een vooral sociaal-recreatieve betekenis hebben, die overigens van grote waarde is. Het voedselbos om in beweging te komen, buurtbewoners te ontmoeten, jong en oud leren ervan.
Een voedselbos als realistisch recreatief productiebos is wat mij betreft prima te realiseren. In dat perspectief bezien is het haalbaar. Ingewikkelder wordt het als het de bedoeling is er hele wijken of buurten mee te voeden.
Feitelijk zou je een voedselbos kunnen beschouwen als een bepaalde vorm van ecotuin. Een strikte definitie van een ecotuin is er niet. Ik kan me voorstellen dat er – vanuit de ecologie gezien – er bepaalde aspecten zijn die je in de ene ecotuin wel en in de andere ecotuin niet laat ontwikkelen. Denk bijvoorbeeld aan een tuin waarbij het accent ligt op de pioniersbeplanting, of een tuin waarbij een bepaalt habitat centraal staat zoals de watertuin.
Een voedselbos kan een ecotuin zijn maar een ecotuin hoeft niet per se een voedselbos te zijn.
Tot slot bij een eetbare tuin of voedselbos zou het in eerste instantie moeten gaan over de vraag voor wie het eetbaar moet zijn. Als we een wezenlijke bijdrage aan de biodiversiteit willen leveren doe je er in veel gevallen verstandig aan de vruchten te laten hangen (of te laten vallen). Vooral voedselbossen met een niet primaire productie functie zijn waardevol voor de biodiversiteit. Heb je wel eens gezien wat er allemaal afkomt op een overrijpe vijg?


Doorgaans wordt er met Blended Learning de variatie in online en digitale lesbijeenkomsten afwisselend plaatsvinden. Bij de OntwerpAcademie is de mix van onderwijsvormen verder doorgevoerd.
Waar studenten uitstromen stromen andere studenten weer in. Doordat er meerdere lesblokken zijn ontstaat er een mix van studenten die langer in de lessen zitten en studenten die als nieuweling een start maken met de lesblokken. Er is in het eerste jaar van de studierichting Tuinarchitectuur geen vaste volgorde waarin je de lesblokken volgt. Het maakt niet uit in welk lesblok je instroomt. De ene student start met het lesblok compositie, de ander met het blok groen en een derde start met visueel.
De lessen worden dynamischer en interactiever als gevolg van kennis- en niveau verschillen van de studenten op deze manier leren studenten actief van elkaar. Het eigen tempo en de progressie van de student staat centraal. De docent stemt daar de didactiek en de werkvormen op af.
Als aanvulling op de fysieke lessen kunnen studenten met hun (huiswerk)vragen wekelijks terecht in het online OpenAtelier. Het is vrijblijvend, studenten hoeven niets te zeggen maar kunnen ook meeluisteren. Alle vragen rondom de vakopleidingen zijn welkom ongeacht de studierichting.
Alles wat de student thuis kan lezen doet de student thuis. Daarmee kunnen we de lestijd effectiever besteden.
Op deze manier ontstaat er meer tijd tijdens de lessen om studenten feedback te geven op het gemaakte (huis)werk en er is tijdwinst voor het actief verweven van theorie met de praktijk door middel van werkvormen.


Aan de ene kant praten we over de hoeveelheid aan de andere kant gaat het over de kwaliteit; dat gaat ondermeer over: de juiste plantensoort op de juiste plek, groeiplaatsomstandigheden, functies en natuurlijk de ruimtelijke setting, want het oog wil ook wat.
Dat laatste klinkt oppervlakkiger dan het is, want goed geselecteerd en geplaatst groen bepaalt in belangrijke mate de kwaliteit van onze openbare (leef)ruimte en legt daarmee de basis voor ons welbevinden, sociale cohesie en niet op de laatste plaats: de duurzaamheid. Duurzaam begint bij een goed doordacht plan waarbij alle aspecten: biotisch, abiotisch en esthetisch zijn meegenomen.

Een beplantingsspecialist is een professional die op de eerste plaats beschikt over een grote hoeveelheid plantenkennis. Dat begint met sortimentskennis, het kennen en herkennen. Weten waar je de plant kunt toepassen en welk onderhoud daarvoor nodig is.
Daarnaast beschikt de beplantingsspecialist over ontwerpvaardigheden. Dat is belangrijk want als je wel beschikt over plantenkennis maar niet weet hoe je de beplanting in architectonische zin moet toepassen dan blijf je steken in wat ik zelf ‘vakkenvullen’ noem. Je kijkt weliswaar naar de plantensoort en de omstandigheden maar je vraagt je niet af welk effect of gevoel de beplantingsingreep teweeg moet brengen en welke hoogte, vorm en textuur daarvoor nodig zijn. De specialist is zowel bekend met de botanische kant als de esthetische toepassingsmogelijkheden van beplantingen. Voor dit laatste aspect zijn ontwerpvaardigheden onmisbaar.
Beplantingsspecialisten ontwerpen met beplanting. Dat betekent dat een specialist ook zelf in staat is om ontwerpuitgangspunten te formuleren voor een ontwerp of plan dat gemaakt is door derden. De beplantingsspecialist is in staat zelf een visie te ontwikkelen en maakt op basis daarvan een beplantingsindicatieplan. Dat is een groenstructuur met uitspraken over de verschijningsvorm van het groen en hoe de verschillende functies en ruimtes zich verhouden tot elkaar. Eerst moet er een helder vertrekpunt zijn, een visie of ontwerpplan alvorens er nagedacht kan worden over plantensoorten. Om dit te kunnen doen beschikt de beplantingsspecialist over basis ontwerpvaardigheden.
In de praktijk van niet-ontwerpers zie je dat er in veel gevallen andersom gewerkt wordt. Er is een wensenlijst van soorten die de voorkeur hebben, vaak geeft de opdrachtgever zo’n lijstje. Vanuit die lijst krijgen planten een plek in het ontwerpplan toegewezen. Er ontstaat op deze manier weliswaar een groen plan maar zonder enige betekenis, verhaal of samenhang. Beplantingsspecialisten ontwerpen met beplanting als middel om ontwerpideeën uit te drukken dat is een fundamenteel andere benadering.

We leven in een turbulente tijd. Er moet veel gebeuren. De natuur is er niet dankzij de mens maar wij zijn er dankzij de natuur! En om die natuur terug te brengen in onze stedelijke omgeving en daarmee onze leefomgeving leefbaar te maken en te houden zijn tuin- en landschapsontwerpers en beplantingsspecialisten hard nodig. Genoeg te doen dus!
De 2-jarige vakopleiding Beplantingsspecialist in ingeschaald op NLQF niveau 5 (vergelijkbaar met het AD-traject in het HBO).
Het accent in het eerste jaar ligt op het kennen en herkennen van planten, in het tweede jaar werkt de student vanuit de vier beroepsrollen: ecoloog, ontwerper, verbinder en beheerder, en is er bijzondere aandacht voor het ontwerpen met beplanting op een grotere schaal met meer complexiteit.
Net zoals bij andere vakopleidingen ligt de kennis over bodem, water en ecologie aan de basis van de opleiding.
Op 25 november is er een webinar van 19.00 - 20.00 uur.



Het vak van de beplantingsadviseur omvat basis onderdelen als: sortimentskennis, taxonomie, nomenclatuur, morfologie. Daarmee zijn de beplantingsadviseurs in staat om aan de hand van de verschijningsvorm van de plant te zien tot welke familie de plant behoort en op deze manier te bepalen welke eisen de plant stelt aan de groeiplaatsomstandigheden. Zo krijgt het kennen en herkennen van planten meer diepte.
Hoewel sortimentskennis de basis vormt van het vak Beplantingsadviseur beschikken deze professionals over de vaardigheden om hun plantenkennis aan de hand van de praktijk verder uit te breiden. Het is belangrijk dat de beplantingsadviseur op een praktische manier kan omgaan met het continu uitdijende aanbod van planten, waar het een komen en gaan is van oude en actuele plantensoorten.

Er is bijna geen plek te bedenken waar de beplantingsadviseur niet aan de slag kan: samenwerking met een tuincentrum waar de adviseur optreedt als kenner van het sortiment en de toepassing ervan. Als toegevoegd deskundige kan de adviseur aan de slag, samen meteen hoveniersbedrijf waar hij of zij beplantingsplannen maakt en deze plannen uitwerkt tot gedetailleerde uitvoeringsplannen waarmee de hovenier aan de gang kan.
Van beplantingsadviseurs mag je verwachten dat ze met originele plant selecties komen in plaats van automatisch terug te vallen op trendmatige oplossingen die in de meeste gevallen minder duurzaam zijn. Vanzelfsprekend kan een beplantingsadviseur ook als zelfstandige aan de slag. Hoe dan ook het is een kansrijk beroep dat – gezien de klimaatontwikkelingen – steeds belangrijker zal worden.

Beplantingsadviseurs staan tussen de tuinontwerper en de hovenier in, zij vormen de verbindende schakel tussen deze vak professionals. Met hun praktische benadering vertalen ze de tuinontwerp uitgangspunten naar een aansprekend beplantingssortiment. Beplantingsadviseurs zijn op de hoogte van actuele en toekomstbestendige plantensoorten.
Beplantingsspecialisten gaan daarentegen een stap verder ten opzichte van de beplantingsadviseurs zij beschikken over ontwerpvaardigheden waarmee ze de ontwerpuitgangspunten kunnen vertalen naar groenstructuren en zogenoemde beplantings indicatie plannen. Dat zijn plannen waarbij de hoofdlijnen van de groenstructuren gegeven worden. Beplantingsspecialisten denken na over de architectonische kant van de beplanting, werken met streefbeelden om daarmee te laten zien welke beheersmaatregelen er in de toekomst nodig zijn.

Het kan niet vaak genoeg gezegd worden. Het maken van beplantingsplannen gaat over het kiezen van het juiste materiaal op een zodanige manier dat daarmee de ontwerpideeën het meest treffend worden uitgedrukt. Het expressief maken van ontwerpideeën met (plant)materiaal noemen ontwerpers doorontwerpen. Het mooie van deze manier van werken is dat het ontwerpwerk leuk blijft en je altijd op originele oplossingen uitkomt dat verder gaat dan eenvoudigweg het wensenlijstje van de klant een plek geven in het beplantingsplan.