



















Dank voor jullie enorme enthousiasme! En ja we gaan zorgen dat we in het noorden van Nederland kunnen starten met de opleiding Beplantingsadviseur.
Opvallend is de motivatie van (oud-)studenten. Dat vind ik fantastisch om te horen en om die stralende gezichten te zien. Natuurlijk, vanzelf gaat het allemaal niet. Je hebt niet zomaar een onderneming en je hebt niet ineens een top baan. Waar de een succesvol is met het ‘regelen’ van volgers op de socials, vraagt de ander zich af hoe je meer in beeld kunt komen op de markt. Weer andere studenten hebben elkaar gevonden in samenwerkingen, partnerschappen en dienstverbanden. Nog weer andere studenten kijken met een scherp kritische blik naar wat er zoal geïnnoveerd wordt op de beurs en stellen zich terecht de vraag hoe ‘groen’ dat dan is. Kortom de betrokkenheid en passie waren de afgelopen beursdagen zeer voelbaar. De stand leek zo nu en dan op een reünie.



Werken in het groen is belangrijk, betekenisvol en hoopvol tegelijkertijd. Wij allen werken aan een leefbare en gezondere wereld zoveel werd duidelijk tijdens het ‘ronde tafel gesprek’. De sprekers zaten op een lijn met de tuin/buitenruimte als vehikel om de leefomgeving te vergroenen. De schaal waarop je werkt maakt daarbij niet uit. Dat er nog een enorme klus te doen is werd mij tijdens het ‘ronde tafel’ gesprek wel duidelijk. 50.000 hoveniers de komende jaren volgens John Koomen voorzitter van de VHG. En waar hoveniers nodig zijn heb je ook ontwerpers nodig. Maar de grote opgave zit ‘m vooral in bewustwording en gedragsverandering. Vakmensen en consumenten zullen groener moeten denken en handelen. Lopend over de beurs zie je dat daar nog veel te winnen is. Professionals zullen (nog) meer moeten samenwerken om zo te komen tot ‘samenspel’.
Mooie verhalen, prachtige intenties en succesvolle ruimtelijke interventies zoals we konden zien bij de inleiding van Nico Wissing, maar hoe kom je daadwerkelijk zover met elkaar dat er sprake is van ‘samenspel’. Ligt daar nu juist niet een opgave voor onze branche organisaties als de VHG en de NVTL? Is het niet mede aan hen om het ‘samenspel’ te omarmen en breed uit te dragen?
Ongeacht of de toekomstige rol van de hovenier wel of niet veranderd, zij zijn degene die de consument als eerste spreken, zij zijn het die een intensieve relatie aangaan om de tuinwensen om te zetten in realisatie en onderhoud. Dus zij zijn de eerst aangewezenen om de consument voor te lichten of wel tijdig in zien dat het ontwerpwerk overgelaten moet worden aan tuinontwerpers. In dit verband is het logisch dat de VHG - als branche organisatie voor de hoveniers - zich sterk maakt om duidelijk te communiceren over deze professionele rolverdeling waar zowel hoveniers als ontwerpers baat bij hebben.
Dat is wat mij betreft de conclusie van het ‘ronde tafel’ gesprek tijdens de beurs. De deur naar de VHG staat nog meer open. We maken gebruik van de uitnodiging van het VHG om in gesprek te gaan en de rol van de tuinontwerper steviger op de agenda te krijgen.
Ontwerpers en tuinen verdienen het, zeker na al die hartverwarmende reacties.


Met het OA-team faciliteren we de studenten zo goed mogelijk, met het doelgroene ambassadeurs af te leveren die de wereld intrekken, hun verhaal doen en andere mensen met hun enthousiasme meenemen om de wereld groener, leefbaarder en gezonder te maken. De tuin verdient het!

Citaat uit de tentoonstelling: Tuinen van de toekomst: “de tuin is altijd veel meer geweest dan een romantisch toevluchtsoord: het is een proeftuin voor nieuwe ideeën, een plek om een betere toekomst te verbeelden en te verwezenlijken. In het licht van de huidige klimaatcrisis, mondialisering en voedselonzekerheid is de tuin tegenwoordig opnieuw een laboratorium waar alternatieve opvattingen van duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid in de praktijk gebracht kunnen worden; een veelbelovende en hoopvolle plek.”
Anders gezegd; er is veel te doen in de tuin! Als OA-team voelen we ons bevoorrecht om iedere dag te mogen werken aan het uitdragen van onze missie om: betekenis, meerwaarde en ‘diepte’ mee te geven door middel van onderwijs.
En zeg nou eerlijk; wat zouden wij zijn zonder onze studenten? Dank voor jullie vertrouwen! Dank ook aan alle gepassioneerde en hardwerkende collega’s van de OA, onze zakelijke relaties en partners.
Fijne feestdagen!



Feitelijk is er maar een goede volgorde, namelijk: beginnen met een goed doordacht inrichtingsplan of ontwerp, waarbij je de karakteristieken en kwaliteiten van de tuin duidelijk in beeld brengt. Ontwerpen met deze karakteristieken maakt dat de tuin een authentieke benadering krijgt die iets vertelt over die plek en haar bewoners. De ene plek in de tuin is wellicht schaduwachtig en vochtiger dan het open en zonnige terrasdeel van de tuin waar de hele dag de zon op staat te branden. Met het inrichtingsplan heb je – als het goed is - rekening gehouden met het logisch plaatsen van de verschillende functies in relatie met de groeiplaatsomstandigheden (habitats).

Het nadenken over welke beplanting waar komt wordt vooraf gegaan door hoe jij – als ontwerper of beplantingsspecialist - wil dat de ruimte gebruikt wordt, welke uitstraling en sfeer een ruimte moet krijgen. Wat wil jij dat de gebruiker gaat ervaren? Ontwerpers werken op basis van een groenstructuur. Voor de kleinere tuin noemen we dit Beplantings Indicatie Plan (BIP) waarbij je hoogte, vorm, textuur en verschijningsvorm van tevoren vastlegt. Dit zijn de selectiecriteria op basis waarvan we planten zoeken.
Biodivers betekent een zo optimaal mogelijke verscheidenheid van flora en fauna in je tuin ofwel biologische varieteit. Als ontwerper schep je – aan de hand van het ontwerp - daarvoor de specifieke voorwaarden. Bij voorkeur in lijn met dat wat er al aanwezig is in de tuin. Hoe kleiner de oppervlakte die je tot je beschikking hebt, hoe scherper de keuzes zullen uitpakken. Immers niet alles kan in een tuin, althans, als de tuin niet alleen groen maar ook functioneel moet blijven.

Verscheidenheid in flora en fauna begint bij het ‘articuleren’ van de verschillen in groeiplaatsomstandigheden, het versterken van de omstandigheden die er al zijn. 'Meeliften’ met deze uitgangspunten kost het minste geld en sorteert op langere termijn het meeste effect. Een vochtige plek in de tuin maken we vochtiger zodat er meer overgangen gaan ontstaan van nat naar vochtig en minder vochtig. Overgangen zijn inherent aan ecologie en vragen per definitie ruimte. Heeft de ontwerper een duidelijk beeld van de habitats inclusief overgangen dan werken we aan de beplanting. Hoe gelaagder de beplanting in de tuin is hoe meer kansen je creëert voor allerhande organismen. Zo onderscheiden we de bodemlaag, mossenlaag, kruiden-, heester- en bomenlaag. Elke laag biedt kansen voor fauna. Het soort fauna volgt op de flora en het soort flora volgt de groeiplaatsomstandigheden.
Biodiversiteit gaat dus primair om het scheppen van een variëteit in groeiplaatsomstandigheden en overgangen. Veel groen in een tuin is nog altijd beter dan geen groen maar gevarieerd groen dat afgestemd is op de groeiplaats is effectiever en biedt qua biodiversiteit meer potentie.

Tot slot; onderhoudsarm is een lastige want subjectief begrip. Wat onderhoudsarm is en hoe dat ervaren wordt is om te beginnen per persoon verschillend. Daarnaast; elke tuin behoeft onderhoud, ongeacht de soort tuin, de grootte en de hoedanigheid. De staat van een tuin op een zeker moment kun je zien als een foto die genomen is binnen de ecologische successie en ontwikkeling van de tuin. Om die ‘foto’ te behouden is onderhoud onontbeerlijk. De tuin is en blijft een proces!


We hebben het dan over het Beplantings Indicatie Plan (BIP). Nadenken over beplantingsplannen betekent in het bijzonder dat je van groot naar klein werkt om lijn in je verhaal te krijgen en om naar zo concreet mogelijke beplantingsbeelden te werken. Uit de BIP ‘rollen’ de selectie criteria voor de beplanting, denk aan: hoogte, vorm, textuur en sierwaarde. Deze laatste kun je heel ruim nemen. Als biodiversiteit een ‘harde eis’ is dan kun je dus op basis van de uitgangspunten die jezelf of een ontwerper geformuleerd heeft het juiste plantmateriaal er bij zoeken. Je voegt biodiversiteit toe aan de selectiecriteria maar pas nadat je hoogte, vorm, en textuur bepaald hebt.
Soms krijg ik een werkstuk van een student te zien met de vraag of ik kan zeggen of het beplantingsplan goed is. Om dat te kunnen doen heb ik een ‘eik moment’ nodig. Waar moet ik op letten? Wat zijn de bedoelingen die de student heeft en welke beplantingsbeelden horen daar bij? Wanneer is het goed? Die vragen kun je alleen beantwoorden als je weet waar je naar toe wilt met het beplantingsplan. Er moet een doel zijn, een beeld waar je naar toe werkt. Dit voorkomt dat je planten aan het zoeken bent en op het punt komt dat je je afvraagt wat je aan het doen bent. Planmatig werken van globaal naar concreet voorkomt ook dat je verzuipt in het enorme aanbod van planten vooral op het internet.

De opdrachtgever komt met een lijst van favoriete planten. Niet-ontwerpers beginnen enthousiast met het plaatsen van die planten in de plattegrond van een tuin. Dat is een manier van werken die uiteraard kan maar deze manier van werken heeft niet de voorkeur van ontwerpers. Met beplanting en beplantingsstructuren bouwen we de tuin op, geven we ruimtes een identiteit en denken we na over wat wij willen dat de gebruiker gaat beleven. Die basis moet er eerst zijn en zorgt er voor dat alle andere stappen die je daarna zet goed verknoopt zijn met de ruimtelijke kwaliteit. Dat maakt je plan een stuk duurzamer dan dat je ‘achteraan’ zou beginnen met het direct kiezen van soorten. Met puzzelarchitectuur leg je geen goede basis.
De voorkeuren van de opdrachtgever in termen van kleuren, bloeiboog, worden meegenomen door de beplantingsspecialist/ontwerper op een zodanige manier dat ze het beste tot hun recht komen want er wordt rekening gehouden met de groeiplaatsomstandigheden. Een goed doordacht inrichtingsplan maakt de tuin duurzaam en levert een continu bijdrage aan bijvoorbeeld biodiversiteit want het is ook de ontwerper die onderzoek doet naar de biotische en abiotische omstandigheden van de plek. Sterker met behulp van inventarisatie en analyse komt de ontwerper tot een concept waarbij de ‘eigenaardigheden’ van de plek – dat wil zeggen – de aspecten die die specifieke plek uniek maken zijn of worden verweven met het ontwerp en het inrichtingsplan.
Het leuke is dat er altijd een persoonlijke benadering zit in de manier waarop een ontwerper of beplantingsspecialist kijkt naar het werk. Het is zijn of haar visie. Soms noemen we dat ook wel een bureauvisie. Voor de een moet de tuin een eetbare plek worden, een ander ziet de tuin als een architectonisch laboratorium terwijl de derde ontwerper de tuin ziet als een ecologisch potentieel wonder. Iedere ontwerper heeft impliciet of expliciet een visie op tuinen. Dat is persoonlijk en ‘kleurt’ de manier waarop de tuin vervolgens ingericht gaat worden. Wat je standpunt ook is goede inrichtingsplannen scheppen randvoorwaarden voor verscheidenheid in flora en fauna. Ontwerpers doen dat idealiter vanuit de abiotische en biotische omstandigheden die deze professional heeft weten te identificeren op basis van het voorliggende onderzoek (inventarisatie en analyse). Goede ontwerpen vertellen ons op die manier iets over de plek zelf, de omstandigheden, de gebruikers en de context. Je maakt daarmee de ‘Geest van de Plek’ voelbaar.

Een inrichtingsplan starten met bijvoorbeeld het kiezen van planten die biodiverse betekenis hebben is niet de meest logische volgorde omdat we namelijk nog niet weten met welke specifieke groeiomstandigheden we te maken krijgen in de tuin. Bovendien heeft de ontwerper ook nog een andere belangrijke taak, namelijk te kijken naar de ruimtelijke- en esthetische kant van het verhaal. Het inrichtingsplan moet goed voelen en door de jaren heen goed functioneren. Werken met juiste afmetingen en verhoudingen waar materialen en bedoelingen op afgestemd zijn zijn noodzakelijk om ons goed te voelen en te functioneren in de tuin. De keuze van harde en zachte materialen voegen zich naar het inrichtingsplan en dat wat de ontwerper voor ogen heeft. In die zin is de ontwerper een intermediair, een vertaler van de wensen van de klant naar een ruimtelijk kloppend verhaal dat tot in lengte van jaren interessant blijft.
Kiezen voor biodiverse planten is een selectiecriterium die we normaal gesproken als een van de laatste stappen zien in het ontwerpproces. Hetzelfde geldt voor vrucht, kleur, de mate van eetbaarheid en welke sierwaarde op welk tijdstip in het jaar de boventoon voert. Het ontwerp zelf, het inrichtingsplan en ruimtelijke verhaal is – idealiter – gebaseerd op de specifieke omstandigheden die samenhangen met de tuin. Met het inrichtingsplan of ontwerp schep je als ontwerper de randvoorwaarden voor beplanting en dus biodiversiteit.