
Drie jaar geleden kocht ik mijn huis. Een heerlijke plek, maar de natuur had een verrassing voor me in petto. Een meter naast het huis stak die eerste zomer opeens één eigenwijze, tropische stengel de kop op. Een Canna. Ik had hem er niet neergezet, hij was er gewoon. Nu, in het derde jaar, is die ene stengel geëxplodeerd. Er staat opeens een weelderige, knalgroene vierkante meter aan tropisch geweld in mijn tuin. En het fascinerende is: terwijl de brandende zon de grond gortdroog maakt en sommige inheemse planten staan te snakken naar water, staat deze exoot er fris en energiek bij. Zonder dat ik er liters drinkwater tegenaan hoef te gooien.
Als nuchtere en analytische denker zette me dat aan het denken. De heersende mening in tuinland is immers streng: je móét inheems planten, exoten horen hier niet. Maar toen ik naar die krachtige vierkante meter keek, kwamen de kritische vragen naar boven. Wat doet zo'n tropische knol eigenlijk met de droge bodem? En ben ik hier puur een egoïstische tuinhobby aan het voeden, of hebben de lokale bijen er eigenlijk ook wat aan?
Ik ben in de biologie en de cijfers achter deze plant gedoken. Hieronder mijn antwoord, want de praktijk is een stuk verrassender dan de theorie!

Wat hebben bijen aan een tropische knol in een droge tuin? Vandaag de kritische blik, want als rechtlijnige denker wil ik de feiten wel op orde hebben. Is zo’n uitheemse plant wel ecologisch verantwoord, of ben ik hier stiekem iets aan het verdringen?
De discussie tussen 'inheems' en 'uitheems' is immers fel. Het grote argument tegen exoten is helder: elke plantensoort heeft zijn eigen specifieke insecten. Veel inheemse wilde bijtjes zijn extreem kieskeurig; hun larven overleven alleen op het stuifmeel van specifieke inheemse bloemen. Als mijn Canna die ruimte inneemt, verdringt hij dus indirect de voedselbron voor die kwetsbare, lokale fijnproevers. De Canna is er bovendien niet voor alle insecten; de bloem is te diep en te sterk voor de kleinste bijtjes.
Omdat de praktijk op de bodem vaak dwingt tot keuzes:
· Het fundament (de bodem): Als de grond door de hitte volledig uitdroogt, sterft het bodemleven. Kostbaar drinkwater blijven sproeien om inheemse planten in leven te houden, is niet duurzaam. Knolgewassen slaan onder de grond water op, overleven de droogte moeiteloos en houden met hun grote bladeren de bodem bedekt, waardoor het grondwater minder snel verdampt.
· De nazomer-oase voor de krachtpatsers: Hoewel de kleine bijtjes er niks aan hebben, zijn de hommels (de krachtpatsers onder de wilde bijen) en de honingbijen juist dol op de Canna. Ze hebben de kracht om de bloem in te kruipen. Omdat de Canna doorbloeit in augustus en september — een periode waarin veel inheemse planten al zijn uitgebloeid — biedt hij juist dan een cruciale energiebron in een dorre periode.

Aan alleen een stuifmeelplant heeft een bijenpopulatie niks. Ze hebben een complete infrastructuur nodig: stuifmeel voor de larven, nectar als brandstof, én waterplanten bij een waterpartij om veilig te kunnen drinken zonder te verdrinken.
Mijn Canna is dus niet de heilige graal, en een tuin vol met alléén maar tropische knollen zou een ramp zijn voor de biodiversiteit. Maar als strategische 'klimaat-buffer' die de bodem beschermt en de hommels door de nazomer-dip helpt, verdient hij absoluut zijn plek tussen de inheemse planten en de waterpartij.
De natuur is niet zwart-wit. Soms is de praktijk een kwestie van de juiste balans zoeken.
Bekijk deze korte lezing van OntwerpAcademie docent Sipke Terpstra, waarin hij interessante combinaties laat zien van inheems en uitheems materiaal.
Of lees deze bijpassende blogs.
Biodiversiteit? Inheemse of autochtone beplanting in het tuinontwerp - Dolf Houtman
Moeten er meer inheemse planten in onze tuinen? - Marlien van der Linden
Hoe ontwerp je een groene en biodiverse tuin? - Dolf Houtman
Ecologische waarde van inheemse planten - Ingrid van der Ven


Wil je op de hoogte blijven?
Wordt dan lid van onze community OA-Connect of houd de andere social media kanalen in de gaten.