Ontwerpen gaat over het aanbrengen van ordening. We, dat wil zeggen: studenten, ontwerpers en andere groenprofessionals zitten vol ideeën. Met de beste intenties willen we bijvoorbeeld een tuin biodiverser maken, we zijn op zoek naar een ‘bosbeleving’ of willen het zonlicht op een bepaalde manier de tuin inbrengen. Soms noemen we bepaalde diersoorten of insecten waarvan we willen dat ze naar de tuin gelokt worden en we willen met biologisch gekweekt materiaal, inheemse dan wel autochtone beplanting aan de slag.

Er is niets mis met de intenties zoals hierboven beschreven. Maar bij het noemen van deze punten zou je jezelf als ontwerper de vraag moeten stellen welke van die intenties de belangrijkste zijn? Wellicht kun je sommige intenties clusteren omdat ze in het verlengde van elkaar liggen. Als een intentie heel belangrijk is, is het wellicht een ontwerpuitgangspunt! Een voorbeeld van een ontwerpuitgangspunt is dat je vindt dat het tuinontwerp aansluiting moet maken met een bosrand die buiten de tuin ligt. Of als biodiversiteit het uitgangspunt moet zijn dan is het handig specifiek te maken wat jij onder biodiversiteit verstaat. Het noemen van inheems of autochtoon plantmateriaal is dan te ‘vaag’ en het is de vraag of daar werkelijk de oplossing zit. Ecologie vraagt ruimte en een tuin is per definitie beperkt als het gaat om ruimte. Dat betekent dat je als ontwerper duidelijke keuzes moet maken in wat je wel en niet gaat doen en hoe je gaat ingrijpen.

Waar het dan om gaat is dat je vanuit de tuin – de plek zelf – op zoek gaat naar de kwaliteiten. Een deel van die kwaliteiten hebben te maken met de abiotiek, zeg maar de fysische kant van de ecologie, denk aan: grondsoort, waterhuishouding, microklimaat, oriëntatie op de zon. De basale stap is om de aspecten hiervan te benoemen en om verbanden te leggen op een zodanige manier dat je meer ‘grip’ krijgt op de standplaats omstandigheden. Als je die in beeld hebt kun je van daaruit duidelijk gefundeerde beslissingen nemen. Je kan ontwerpende wijze bepaalde aspecten versterken, accentueren of vergroten met het oog op het benutten van de ecologische potentie. Het gaat dan om standplaatsfactoren als: schaduw, zonnig, warm, droog of nat en laag waarmee je de voorwaarden creëert.

Wat wij zien vanuit de opleiding is dat studenten er vaak veel te snel overheen stappen en in de veronderstelling leven dat de oplossing ligt in het toepassen van bijvoorbeeld biologisch gekweekt materiaal. Om bij dit laatste te blijven, dat zou een selectie criterium kunnen zijn voor het zoeken naar plantmateriaal. Maar biologisch gekweekt is een inkoopvoorwaarde, niet iets waarmee je standplaats factoren beïnvloedt.

Als ontwerper heb je als het goed is de voorwaarden voor de standplaats meegenomen in je ontwerp. Met andere woorden je hebt nagedacht hoe grondsoort, waterhuishouding en zuurgraad met elkaar samenhangen in relatie tot huis en tuin. De standplaats factoren zijn bepalend met welke soorten je aan de slag gaat. De architectonische invalshoek hoort daar net zo goed bij om vervolgens – als laatste stap – te kijken bij welke leverancier je het beste terecht kan om het plantmateriaal in handen te krijgen. Hier komen zaken als inheems of autochtoon materiaal aan de orde of dat het materiaal biologisch gekweekt is. De wensen van de opdrachtgever heb je als het goed is meegewogen met de selectie criteria van het plantmateriaal.

Deze tekst is geschreven naar aanleiding van het OpenAtelier van 15 december 2025. Het OpenAtelier is een online service speciaal voor (oud-)studenten met vragen over huiswerk en lesblokopdrachten. De community OA-Connect is een platform waar studenten van de OntwerpAcademie elkaar ontmoeten.

Wil je op de hoogte blijven?
Wordt dan lid van onze community OA-Connect of houd de andere social media kanalen in de gaten.