
























Petje af voor al deze studenten die hun schouders zetten onder de opdrachten die ze toegestuurd kregen. Ook petje af voor de examinatoren die de uitwerkingen vervolgens kritisch moeten bekijken en beoordelen. Graag deel ik enige aantekeningen van de examinatoren zodat je er je voordeel mee kunt doen, of je nu wel of niet besluit examen te doen.
Als beplantingsadviseur kijk je naar een ontwerp van een ander. Wat is jouw visie op het BIP van de ontwerper? Kun je hierop doorontwerpen? Neem de ruimte om een eigen onderbouwde analyse - zichtlijnen, massa/ruimte, zichtlijnen, groeiplaatsfactoren en zo - te maken. Dit helpt je keuzes te maken in hoogte en compositie. Onderbouw ook je keuzes.
Weet dat je als Beplantingsadviseur mag afwijken van het BIP. Pak de vrijheid je eigen visie en keuzes te maken om het ontwerp te versterken, onderbouw dit wel met beelden en tekeningen. Zoek vooral de essentie van je visie op de beplanting en maak het concreet.
Maak themakaartjes, trek er conclusies uit, formuleer je hoofduitgangspunt en vertaal dit alles naar het beplantingsplan. Vergeet niet dat je bij het ontwikkelen van je beplanting eerst met de vorm begint. Maak dan ook aanzichten hoe de plantmassa’s zich tot elkaar verhouden. Wat wil je met de verschijningsvorm en de massa in de beplanting. En maak ook ruimtelijke tekeningen als doorsnedes en massa/ruimte tekeningen. Wat is er nodig in de tuin om het ontwerp te versterken of ondersteunen? Zorg dat de tekening die je maakt de relevante informatie heeft.
Kies een referentiebeeld wat duidelijk weergeeft wat je visie op de plek is (ruimtelijk gezien). Bij voorkeur niet alleen van beplanting maar ook van een ruimtelijke vertaling. Als je voor een referentiebeeld kiest, zet deze dan consequent door.
Zorg dat je tekeningen leesbaar en op schaal zijn en je idee ondersteunen.

Let op de groepsgrootte van de beplanting en of de keuze van de soort ook het beeld geeft wat jij voor ogen hebt.
Denk bij de keuze van de beplanting aan de seizoenen: wanneer bloeit welke plant in welk seizoen, wat is wintergroen en geeft dus het winterbeeld. Laat het in tekeningen zien. Laat ook zien hoe de beplanting zich ontwikkelt in de tijd: in het begin is er relatief weinig schaduw terwijl later de bomen impact hebben op de beplanting.

Vragen over het examen? Neem gerust contact met me op: Examenbureau@ontwerpacademie.nl
Anne Bontekoe - Rijnbeek
Examenbureau OntwerpAcademie

Onze natuur, inclusief de bossen, zijn er slecht aan toe, dat weten we al langer. Verzuring, vermesting, verdroging we kennen de termen nog wel uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw – en er is sindsdien kennelijk weinig verbeterd.
In deze korte journaal uitzending gaat het over de verzuring op de arme zandgronden. De bossen hebben er onder te lijden. De verminderde conditie van de pijnbomen zorgt voor een eldorado voor de Letterzetter en de Dennescheerder die baat hebben bij de voor hun gunstige omstandigheden en de zieke bomen verder aantasten.

Het materiaal dat over bepaalde delen van de bossen uitgestrooid wordt – steenmeel of biolith – is een gesteente dat relatief langzaam mineralen afgeeft om de verzuring een halt toe te roepen. Verzuring zorgt er namelijk voor dat micro-elementen in oplossing komen en uitspoelen zodat ze niet meer beschikbaar zijn voor de vegetatie. Het steenmeel voegt mineralen toe en – hoewel ik het materiaal niet ken – vermoedelijk ook kalk.
Het zien van de film roept diverse vragen op, die we met de studenten tijdens de lessen besproken hebben. Vragen als:• Hoeveel uitstoot is er extra nodig voordat het steenmeel de plek van bestemming bereikt heeft?
Vooral dat laatste houdt mij bezig. De oorzaak kunnen we op korte termijn niet wegnemen. Ook al verstoken we geen fossiele brandstoffen meer het ‘na-ijl effect’ zal nog decennia doorgaan voordat de lucht ‘schoon’ is en de zure depositie stopt.
De pijnbomen (Pinus nigra nigra) die we kunnen zien op de film zijn in de tweede helft van de 19e eeuw aangeplant om het stuiven van de zandgronden tegen te gaan. We kijken dus naar ‘gemaakte’ natuur zoals dat feitelijk voor bijna alle natuur in Nederland geldt.Het dekzand waar we over spreken is een afzetting uit de laatste IJstijd. Het Noordzee bekken stond droog als gevolg van strenge koude. Straffe wind had vrij spel en kon het zand opnemen om het verder landinwaarts te deponeren. De natuur is altijd al onderhevig geweest aan invloeden en heeft daar altijd op gereageerd. Dat gegeven – het feit dat de natuur altijd reageert - brengt ons bij de interessante vraag wat we er voor terug zouden krijgen als we nietsdoen? Het antwoord is de vegetatie die past bij de omstandigheden zoals die nu gelden, dat noemen we de Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV). Het mooie is dat het per definitie de vegetatie is welke het beste past bij de huidige omstandigheden en dus goed in staat is om te gaan met verzuring, stikstof depositie en alles wat er verder nog speelt.
Het huidige bosbestand zal plaatsmaken voor pioniers en ruigte beplanting zoals grassen en andere stikstof minners om vervolgens opgevolgd te worden door andere soorten die op hun beurt optimaal passen bij de omstandigheden die dan gelden. Dit proces van opeenvolgende stadia met bijbehorende flora en dus fauna noemen we successie. Wat mij betreft zou deze insteek de nieuwe norm moeten (kunnen)worden voor onze extensief gebruikte natuurterreinen. Want dan ben je pas echt bodem en water gestuurd bezig.

Wat we mogen hopen is dat er ecologen ‘meekijken’ bij het proces waarbij helikopters steenmeel uitstrooien over de bossen. Het is goed denkbaar dat er stukken zijn waar ze juist niets doen en met behulp van het monitoren van dit soort stukken in kaart brengen wat de alternatieven ons te brengen hebben. Met behulp van de tabellen en schema’s inclusief indicator soorten die we kennen van de Fysisch Geografische Regio’s is er een aardige inschatting te maken.
Ons idee van natuur, onze identiteit die we onbewust ontlenen aan natuurbeelden en onze leefomgeving maken dat we op een. behoedzame wijze handelen. Tegelijkertijd denk ik dat dit unieke kansen zijn voor ecologen en landschapsarchitecten om de handen ineen te slaan en bewoners en andere betrokkenen mee te nemen met de nieuwe (verwilderings) beelden die onvermijdelijk gaan ontstaan. Want is inmiddels niet het tijdperk aangebroken dat we af moeten van het maakbare aangeharkte landschap? Dat we als ontwerpers een stapje terug moeten doen en ons meer richten op het scheppen van voorwaarden op basis waarvan successie en ecologie ons verrijken met natuurbeelden die beter opgewassen zijn en/of reageren op het handelen van ons mensen en gebruikers?

Voorwaarden scheppen waarbij we meer gebruik maken van het mechanisme van successie vraagt dat we ‘oude’ beelden loslaten.Afstappen van het maakbare en aangeharkte en dat we onze mindset uitbreiden in de richting van een ruigere natuur.Kreten die te maken hebben met deze ontwikkeling horen we al als ‘rewilding’, nieuwe wildernis. In beleidsstukken en stedenbouwkundige projecten lezen we uitspraken als bodem en water sturend.
Als je er goed over nadenkt staan we aan de vooravond van een nieuwe spannende tijd, het symbiotisch tijdperk is al begonnen!

Op dit moment staat Amelanchier lamarckii, het Krentenboompje volop te bloeien. De plant is makkelijk toe te passen, doet het altijd. Valt in de catagorie, zoals ik ze altijd noem “plant hem niet op zijn kop maar doet het verder altijd”. Droog of vochtig (we hebben hem tijdens de excursie in Amstelveen langs de vijver zien staan, zie foto), zon of schaduw, het maakt hem niet uit. Ook de vorm is variabel; struikvormig, als boompje op eén stam of waar het nu omgaat meerstammig.

Het gevolg is dat veel tuinontwerpers dan ook makkelijk deze plant “grijpen” als meerstammige heester/boom omdat ze niet anders kennen en dat is erg jammer. Want er zijn zoveel meer planten hiervoor geschikt.
Dit is tweeledig. Wanneer je van een boom een meerstammig model wilt maken, zal deze niet zo hoog worden als een éénstammige maar geeft toch een volwassen beeld. Je keuze in het geschikte sortiment wordt groter.
Wanneer je een heester op deze manier behandelt, geeft het een meer ruimtelijk effect dan een ongesnoeide heester die veel massa geeft. Je kunt makkelijk nog een kruidlaag hieronder aanleggen. In bestaande tuinen kan je heesters “redden” (laten staan) doordat ze na de snoeibeurt een veel luchtigere structuur krijgen.

Over het algemeen ontstaat dit in de natuur vanzelf als een heester ouder wordt en de onderste of binnenste takken geen licht meer krijgen. Die sterven vanzelf af. Zo krijg je grillig gegroeide hoofdtakken met een wirwar aan fijnere takken aan de lichtzijde van de plant. Voor bomen geldt dat de top door storm of een hongerig dier eruit is waardoor zich meerdere zijtakken gaan ontwikkelen, de apicale dominantie is immers doorbroken.

Wij mensen zijn ongeduldig en willen dit beeld van een plant sneller. Dit kan je bereiken door een heester aan te planten en die, zoals dat heet, op te kronen. Je gaat zelf een kroon vormen die verdeeld is over een aantal takken. In een jong stadium kies je al minimaal 3 tot maximaal 7 hoofdtakken uit en snoeit de rest weg. Ook van de zijtakken die op de hoofdtakken zitten kan je er al een aantal wegknippen. Uitgaande van een heester van rond de meter begin je met het opknippen tot een hoogte van 50 cm.

Het jaar erop ga je weer een stukje hoger. Omdat je selecteert in het aantal takken, zal de energie naar die takken gaan, de afgeknipte takken vragen geen voeding meer. Het proces kan daardoor sneller gaan dan in de natuur.

Vooral de wat hoger wordende heesters zoals Acer palmatum, Cornus kousa, Stewartia soorten maar ook onze inheemse Ligustrum vulgare kan op die manier als meerstammige plant als solitair worden toegepast. Niet gesnoeid aan de bovenkant geeft hij geurige bloemen en donkerblauwe bessen en is hij niet meer zo “gewoon” als een geknipte haag. Eigenlijk elke wintergroene of bladverliezende heester.

Koop je een spil, een ééntakkige plant, knip dan na één groeiseizoen de plant af op ongeveer 20 cm boven de grond. Hij zal gaan uitlopen op verschillende knoppen die nieuwe twijgen vormen en volg dan de uitleg voor het maken van een meerstammige boom. Want van sommige planten, bijvoorbeeld Parrotia persica, kan je op deze manier makkeijk zelf een meerstammige plant maken want vaak zijn ze òf niet te koop òf zeer prijzig.
Met andere woorden, kijk eens met andere ogen naar een plant met zijn toepassing en probeer sowieso eens iets anders dan Amelanchier, die overigens best mooi is, hoor.


Die verantwoordelijkheid - als het gaat over bodem, water en ecologie - was er altijd alwant je kijkt als ontwerper tijdens de inventarisatie naar zoveel mogelijk aspecten. Met de huidige ontwikkelingen omtrent klimaat zijn bodem, water en ecologie prominenter in beeld gekomen. We spreken er zelfs over dat bodem en water sturend zijn in de planvorming.
Veelgehoorde kreten als: duurzaamheid, biodiversiteit, klimaatbestendig krijgen betekenis als je ze koppelt aan de situatie ter plekke. Wat speelt er? Wat is bruikbaar? Deze micro-groeiplaats omstandigheden kan de ontwerper inzetten als leidend bij het ontwerp. Kan - wel te verstaan - want de ontwerper maakt bewuste keuzes via analyse en concept, om uiteindelijk uit te komen bij het ontwerp. Die keuzes zijn noodzakelijk in een beperkte ruimte als een tuin.
De kunst is dat de ontwerper oplossingen aandraagt welke zowel recht doen aan de wensen van de consument als de gegeven omstandigheden. Het ontwerp maakt optimaal gebruik van die lokale omstandigheden. Optimaal in dit verband betekent: - het best haalbare - onder de gegeven omstandigheden, daar vallen ook de wensen, eisen en karakteristieken van de consument onder.
Wat er concreet gaat gebeuren hangt naast ontwerp ideeën ook sterk af van het soort opdrachtgever, de grootte van de klus en natuurlijk het budget.
Er is geen goed of fout. De ontwerper is zich bewust van wat er speelt of wat er in potentie aanwezig is, en maakt daar duidelijke keuzes in.
Daarbij speelt ook het gegeven dat hoe kleiner de tuin is hoe lastiger het wordt om ecologische processen de ruimte te geven. Dus hoe kleiner de tuin hoe scherper de keuzes moeten zijn. Ecologie vraagt tijd maar ook ruimte en schaal. Als ontwerper schep je de randvoorwaarden waarbij je rekening houdt met de (on)mogelijkheden. Soms ben je al ecologisch bezig door alleen maar een boom te plaatsen omdat dat het meest haalbare is.
Ontwerpers zijn professionals, zij zijn degene die door, in samenhang te ontwerpen - optimaal de potenties van de plek benutten en dat is de ene keer nu eenmaal groener en ecologischer dan de andere keer.
De ene ontwerper is de andere niet. Iedere ontwerper werkt vanuit een fascinatie of opvatting. Werken vanuit een bepaalde ideologie hoort in dit rijtje thuis. Het is zijn/haar visie op de werkelijkheid. Die visie ‘kleurt’ vanzelfsprekend het ontwerp, de oplossing of de mate van ‘groenheid’. Het een is niet beter dan het andere het gaat erom welke zienswijze het beste aansluit op de vraag van de consument.
Voor de consument is het handig om, voordat de opdracht verstrekt wordt, te weten vanuit welke opvatting een ontwerper werkt.

De positie van de OntwerpAcademie in deze is om uit te leggen wat ontwerpkunde nu eigenlijk is en uit welke ‘gereedschappen’ de gereedschapskist van de ontwerper bestaat. Er vanuit gaan de dat de ontwerper zelf een volledig beeld heeft over wat ontwerpkunde is en welke gereedschappen daarbij horen is het ten alle tijde aan de ontwerper zelf welke keuzes er gemaakt worden, waar de accenten gelegd worden en dus welke gereedschappen de ontwerper wel of niet toepast.
Heb je tips of aanvullingen? Laat het ons weten. Wij zijn benieuwd wat jouw ideeën hierover zijn.