
























Jouw proefles kun je desgewenst ook combineren met een studievoorlichting. Kijk op de website voor de actuele data of stuur je mail naar studentenzaken@ontwerpacademie.nl. Zij hebben alle data beschikbaar en helpen je graag verder.
Oh ja en dat duurzame dan vraag je je misschien af?
Tuinontwerpers en Beplantingsspecialisten zijn zich terdege bewust van al die aspecten die te maken hebben met duurzaamheid - als groenprofessional kun je nu eenmaal niet zonder kennis van bodem, water, ecologie en biodiversiteit. Dat zit al in het curriculum ‘gebakken’.
Graag tot ziens!

Stel je het volgende voor je hebt een concept gemaakt en besproken met de klant. Deze is in eerste instantie tevreden maar geeft in een later stadium aan toch nog wijzigingen te willen. Je vraagt je af hoe verder en of er misschien meerdere concepten gemaakt moeten worden?

Het antwoord is dat je maar 1 concept maakt. Dat is al een hele prestatie want iedere ontwerper weet dat er behoorlijk wat werk verzet moet worden om überhaupt tot een goed concept te komen. De inventarisatie en analyse liggen hierbij aan de basis.
Het kenmerkende van een concept is dat het een globaal beeld geeft van waar je naar toe wil met de tuin, het is een duiding. Het is een oplossingsrichting die nog helemaal niets zegt over de manier waarop je de tuin gaat inrichten. Een concept heeft meer weg van een benadering, een opvatting, de tuin als ….
Een concept geven we bij voorkeur weer met een schets. Een eenvoudige vaak schematische schets.
De kunst is om zo’n concept op een duidelijke manier over te brengen bij de opdrachtgever. Hoe je dat doet is sterk afhankelijk van het soort opdrachtgever. Bij de ene opdrachtgever kun je wat abstracter en algemener blijven terwijl een andere opdrachtgever alleen maar ‘in de boot’ blijft als je met concrete beelden komt. Bovendien leent de ene schets zich beter voor presentatie dan de andere.
Hoe je het ook ‘verpakt’ een concept is verankerd met de plek zelf, het vloeit eruit voort. Op basis van onderzoek (inventarisatie en analyse) kom je tot een zeker inzicht, een oplossing die we proberen te ‘vangen’ met een beeld, een schets.
Dat is anders met een thema. Vaak zie je dat concept en thema door elkaar gebruikt worden. Ze kunnen wel in elkaars verlengde liggen. Waar je met het concept een uitspraak doet over de aanpak van de ontwerpopgave kan er binnen die opgave sprake zijn van een thematische uitwerking van delen van de tuin.

Als je eenmaal een concept hebt is het vandaar uit mogelijk een aantal scenario’s te ontwikkelen. Scenario’s zijn lijnen waarlangs je het concept uitwerkt bijvoorbeeld een ecologische, een functionele of een thematische benadering.
Anders gezegd vanuit het concept is het niet ondenkbaar dat je 2 schetsontwerpen maakt. Ook hier weel schetsmatige en globale benaderingen van hoe de inrichting van de tuin er in grote lijnen uit zou kunnen zien. Niets ligt nog vast, het zijn praatplannen waarbij je samen met de opdrachtgever de voors en tegens in beeld brengt en bespreekt.
Het is al een keer eerder beschreven. Een thematische benadering is vergelijkbaar met een sticker die je overal op kunt plakken zonder dat het per se iets zegt over de plek zelf. Die voorbeelden van tuinen zien we om ons heen, kenmerkend is dat ze allemaal op elkaar lijken, gebouwd op basis van trends zijn ze weinig authentiek en zeggen ze nog minder over de plek.
Neem de opdrachtgever die op zoek is naar een Ibiza-tuin bijvoorbeeld. Als ontwerper is het je taak het Ibiza gegeven te onderzoeken. Wat maakt een Ibiza tuin? en welke compositorische aspecten zijn essentieel om te verwerken in de betreffende ontwerpopgave? vanzelfsprekend in relatie met de specifieke aspecten die op die plek spelen. Laat je dat als ontwerper achterwege dan doe je aan ‘puzzel’ architectuur en plak je de Ibiza sticker op die tuin om het even waar die tuin zich bevindt.

Met inspiratie is het nog weer anders. Inspiratie haal je overal vandaan en helpt je om de ideeën die je al hebt verder in te vullen. Als de tuin opgevat wordt als ‘open plek in het bos’ dan kan inspiratie je helpen om op zoek te gaan naar soorten ‘open plekken’. Het zoeken naar referentiebeelden helpt hierbij.
Inspiratie kan er ook toe leiden dat je via een gedachtensprong bij een mogelijk oplossing komt. In die gevallen is het raadzaam terug te redeneren en je inspiratie ideeën te checken met zaken die op die bewuste plek spelen, zodat er alsnog argumenten zijn om het op die manier te doen zoals jij die als ontwerper voorstelt.
In dit verband liggen het werken op basis van intuïtie en inspiratie dicht bij elkaar. Intuïtief werk je een bepaalde richting op met de oplossing bij wijze van spreken al in zicht. Ook dan, of beter, juist dan betrek je er als ontwerper al die bevindingen bij die uit de inventarisatie en analyse naar voren sprongen. Kijk maar eens op internet naar de prachtige intuïtieve afbeeldingen waarmee Yves Brunier menig ontwerpopgave begonnen is.

Recent werd mij door een student de vraag gesteld over de voors- en tegens van de verticale bossen. Het is een terechte en actuele vraag. Voor het gemak maak ik de vraag wat breder want ‘verticale bossen’ passen in de trend om gebouwen te vergroenen. En de vraag is dan hoe zinnig deze acties zijn en wat het ons oplevert - ook bijvoorbeeld als het gaat om CO2 reductie.

De huidige ontwikkeling van daktuinen, begroeide gevels en verticale bossen zie ik in bredere zin als een zoektocht naar hoe we onze leefomgeving zo groen en daarmee zo gezond mogelijk kunnen maken. Parallel daarmee gaan we de stad en de gebouwen zien als een specifieke habitat, de biodiversiteit in steden is inmiddels talrijker dan in het landelijk gebied.
Op kleinere schaal, op de schaal van de tuin bijvoorbeeld, zie je een zelfde soort zoektocht met geveltuintjes, verticaal tuinieren, groene daken op schuurtjes. Het zijn ‘bewegingen’ die laten zien dat de consument meer bewust wordt van de noodzaak van vergroening.
Ongeacht of het de kleine dan wel de grote schaal betreft; groen dat op een andere manier aangebracht wordt dan direct aangebracht in het maaiveld is kostbaar, vraagt om technische aanpassingen en extra arbeid om het groen in stand te houden.

Zelf denk ik dat we nog maar aan de vooravond staan van een reeks van ontwikkelingen die er uiteindelijk toe leiden dat we op een heel andere manier gaan wonen, werken en recreëren. Dat duurt natuurlijk nog even maar het groen krijgt in die toekomstige stedelijke leefomgeving de hoofdrol toebedeelden zal qua afmeting robuust (moeten) zijn, de grootschaligheid van het groen domineert de stad en gaat veel meer het leefklimaat bepalen ten opzichte van de groene balkonnetjes van de woontorens die we nu kennen als BoscoVerticale en de woontorens in Utrecht. Tegelijkertijd kun je zeggen: hoe meergroen hoe beter!
Begrijp me niet verkeerd. ik heb niets tegen groene balkonnen, verticaal tuinieren enzovoorts. Sterker, deze vingeroefeningen zijn nodig om op termijn tot meer structurele oplossingen te komen waarbij we gaan praten overeen eerste en tweede maaiveld door gebouwen en daarmee dakoppervlakken samen te voegen. De woontoren Valley van MVRDV aan de Amsterdamse Zuidas is daar een voorbeeld van. Vanaf het maaiveld kun je via een pad dat door de tuinen gaat naar de hoger gelegen etages. Een fraai voorbeeld, maar vermoedelijk met een indrukwekkende vierkante meter prijs om het te realiseren.

Groen voorzieningen die we aanbrengen – niet gebonden aan het maaiveld - zijn om te beginnen kostbaar. Bouwkundige onderdelen als vloeren en balkonnen zullen extra zwaar uitgevoerd moeten worden om het gewicht van bakkenen vegetatie te kunnen dragen. Hoe groter, hoger en lommerrijker wij de vegetatie (lees bomen) willen hebben hoe complexer en kostbaarder de bouwkundige voorzieningen zullen worden.
Een ander aspect van het aanbrengen van groen in- en op gebouwen is dat de groeiplaats omstandigheden per definitie extreem zijn. Dat wil zeggen meer wind, uitdroging, hogere dynamiek in temperaturen. De omstandigheden zullen in veel gevallen te vergelijken zijn met alpiene of mediterrane omstandigheden. Beplanting is meer blootgesteld aan wind en felle instraling van de zon. Daar zul je rekening mee moeten houden en dat betekent een zorgvuldige selectie van plantensoorten en onderhoud. De kosten van dat onderhoud zullen hoger zijn dan de kosten van een willekeurig plantsoen in de openbare ruimte. Want ook voor het onderhoud geldt dat er voorzieningen aangebracht moeten worden, bijvoorbeeld druppelsystemen om de beplanting van vocht te voorzien in perioden van droogte.
Het aanbrengen van gradiënten zoals we dat kennen vanuit de ecologie zal naar mijn idee beperkt mogelijk zijn in- en op woontorens. Gradiënten vragen relatief veel oppervlak. Dat zou een ander argument kunnen zijn om meteen eerste en tweede maaiveld te werken waarbij je zoveel mogelijk oppervlak creëert dan schep je betere voorwaarden om natuurbeelden te laten ontstaan. Natuurbeelden die in combinatie met de groeiplaats omstandigheden en dus de potentieel natuurlijke vegetatie(PNV) zorgen voor spontaan en niet-aangeplant groen. De voormalige spontane begroeiing van het Hofplein lijntje in Rotterdam was daar een mooi voorbeeldvan. Gebruikmaken van de PNV kost in beginsel geen geld.

Het ontstaan van ziekten en plagen zijn vaak een combinatie van enerzijds een hogere vatbaarheid/afgenomen conditie van de plant en gunstige voorwaarden voor de ziekte of de plaag. De muggenplaag (Chinese woontorens) is daar een voorbeeld van. Ik denk dat hoe goed je je best ook doet om in te spelen op de omstandigheden het voor een deel afwachten is en blijft wat het groen gaat doen. De groeiomstandigheden in- en op een gebouw zijn nu eenmaal uitzonderlijk ten opzichte van het maaiveld. Overigens zou dat juist eenargument kunnen zijn om te onderzoeken in hoeverre je natuurbeelden kunt toelaten in- en op gebouwen. De bioloog Patrick Le Blanc uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw toont in zijn boek ‘Vertical Gardens’ fraaie voorbeelden.
Het maaiveld noem ik bewust in dit betoog omdat ik denk dat daar de grootste groene winst te behalen is. Bovendien kan het tegen aanzienlijk lagere kosten. Ook hier geldt hoe grootschaliger we dat aanpakken hoe effectiever het groen zal zijn in termen van baten en diensten die het oplevert. Denk bijvoorbeeld aan de reductie of opslag van CO2. Het maken van een daktuin zoals bijvoorbeeld de daktuin van het depot gebouw in Rotterdam is een knap staaltje van een geslaagd groenbeeld, architectuur en technologie. Maar groen aanbrengen op een dak met als argument dat het CO2 vastlegt gaat wat mij betreft niet op omdat de berken die er geplant zijn jaren en jaren zouden moeten groeien om de hoeveelheid extra uitgestoten CO2 ten behoeve van de (draag)constructie te compenseren. Dat ligt bij het aanbrengen van beplantingen in het maaiveld significant anders.

Tot slot zou ik het juist interessant vinden als we onderzoek doen naar bijvoorbeeld eenvoudige begeleidingssystemen die we kunnen plaatsen op de kopeinden van flats of andere (industriële) gebouwen en die we met klimplanten kunnen laten begroeien die gewoon in het maaiveld staan en geen extra watervoorzieningen vragen. Er zijn klimmers die zomaar 25 tot 30 meter kunnen groeien denk aan wingerd en klimop.
Er ligt een enorme interessante hoeveelheid werk voor(tuin)ontwerpers die met innovatieve oplossingen komen die tevens betaalbaar zijn, en bovendien gebaseerd zijn op de ecologie en daarnaast (relatief)makkelijk te onderhouden.

Louis le Roy deed het al begin jaren ’70 van de vorige eeuw met het stapelen van stenen en puin – (groei)omstandigheden creëren - randvoorwaarden scheppen. Doen wij dat feitelijk niet altijd al als ontwerper, stel ik mezelf de vraag, als ik luister naar de bevlogen woorden van Fred Booy, de gastspreker van vanavond?
Streven is om bewuste ingrepen te doen maar de praktijk van de natuur is weerbarstig. Met diverse beelden laat Booy zien hoe ‘bedachte’ parken, groenvoorzieningen en andere openbare ruimten, geleidelijk aan tenderen naar een meer natuurlijk ogende beplanting.
De steden gaan een belangrijke rol spelen, zo rond 2050 woont zo’n slordige 75% van de mensheid in de steden. Tegelijkertijd is de biodiversiteit in Nederland nog maar zo’n 14% van wat het ooit geweest is. Geen cijfers waar je vrolijk van wordt. Overigens is de meest biodiversiteit in de steden te vinden en niet op het platteland.
Gebouwen kun je zien als gestapelde landschappen. De uitdaging is om het allemaal betaalbaar te houden. Hoe hoger het gebouw en hoe dunner de substraatlaag hoe meer technologie er voor nodig is om de vegetatie te ontwikkelen. Meer technologie betekent meer kwetsbaarheid en dus meer kans op storing.

Componeren met onkruid – samenwerken! Niet tegen de natuur in gaan maar gebruik maken van die natuurlijke processen - de esthetiek van de verwildering - de centrale vraag hierin is hoe je voorkomt dat verwildering als een bende gezien wordt? Daar zijn een drietal strategieën voor aldus Booy: sieren, omlijsten en delen, te lezen in de ‘Tweede Gids’, een handzaam en informatief boekje geschreven door Maike van Stiphout.
Daarnaast - als het groen er eenmaal is - zal het hoe dan ook onderhouden moeten worden. Kunnen we ontwerpend beheren inzetten om met de natuur mee te ontwikkelen? In ieder geval is het monitoren van de beplanting noodzakelijk.

Hoe groter de buitenruimte hoe meer ‘speelruimte’ er is om met beplantingen om te gaan. In de kleine tuin luisteren de ingrepen veel nauwer. Mengpercentages en groepsgroottes zijn vrijer in te vullen als je 200 m1 tot je beschikking hebt in plaats van 20 m2.
Monitoren zou verweven moeten zijn met het nadenken over groene buitenruimtes. Binnen de schaal van de tuin zou je kunnen werken met doelsoorten die je in de tuin wil hebben. Of dat je een meer thematische aanpak nastreeft, bijvoorbeeld als theetuin. Niet alles kan, keuzes maken is noodzakelijk en misschien willen we wel – juist omdat de tuin nu eenmaal beperkter is in omvang – meer voorspelbaarheid.

Ter afsluiting van de avond probeer ik het enthousiaste relaas van Fred Booy samen te vatten aan de hand van 7 punten: