



















Als het over tuinen gaat begint duurzaamheid wat mij betreft bij het kijken naar de plek. Het gaat erom dat je begrijpt in welk gebied of landschap de tuin zich bevindt. De groeiplaatsomstandigheden voor een tuin in de duinen zijn nu eenmaal anders dan als de tuin zich bevindt in het zeeklei gebied of in een van de laaggelegen veenpolders die Nederland rijk is. Als de tuin verbonden is met het landschap - de context - spelen er mogelijk andere (ontwerp)vragen dan wanneer diezelfde tuin zich middenin het stedelijk gebied bevindt waar de context bestaat uit gebouwen.
De vegetatie die zich min of meer spontaan ontwikkelt in een duinlandschap, veenpolder of rivieroever kan als inspiratie maar ook als uitgangspunt dienen voor het te maken beplantingsplan. De ontwerper/beplantingsspecialist maakt qua plantenselectie een ‘vertaalslag’ van de van nature voorkomende beplanting, naar de cultuur variëteiten die zich lenen voor aanplant in tuinen. Dit is natuurlijk een ‘wens’ regel maar als het over duurzaamheid, beheer en kosten gaat wel de moeite waard om er extra bij stil te staan, het is ook waar ons vak over gaat!
De tuin in de foto hierboven bevindt zich in het laagveengebied. De combinatie knotwilg en palm zijn soorten uit twee verschillende werelden die lijnrecht tegenover elkaar staan. Er is geen logisch verband, de willekeurige schikking draagt niet bij aan een begrijpelijke samenhang. Hoewel het een grote open tuin betreft versterken context en tuin elkaar niet. De tuin lijkt zich juist af te keren van het water, harde schoeiing en de keuze van de Photinia’s die in een lijn langs de schoeiing werkt vervreemdend.
Met een kleine 30 cm ontwateringsdiepte zijn de natte omstandigheden voor de palmen op z’n zachtst gezegd niet ideaal. Duidelijk is dat de palmen hier geen lang leven beschoren zijn.

Palmbomen kennen we van Zuid-Europese boulevards, er is een onvermijdelijke associatie met mediterrane sferen, warm, droog, kalkrijke goed drainerende bodem – om dat beeld en gevoel op overtuigende wijze te pakken en te vertalen naar de Hollandse polder veronderstelt vakmanschap en kennis. Waarbij je goed zou moeten nadenken over hoe context en tuin op elkaar betrokken worden. Interessanter wordt het als je gaat nadenken of er geen beter alternatief is dan een palm? Een boom die beteroverweg kan met de natte, zure en voedselrijke bodem die nu eenmaal hoort bijeen veengrond. Het criterium voor de keuze van een boom is dan dat je zoekt naar bijvoorbeeld een markante tak structuur, open kroon of uitgesproken bladvorm, textuur en kleur die de felbegeerde mediterrane sfeer uitdraagt. Daar zit het vakmanschap!
In de tuin zelf – op een nog kleinere schaal- hebben we te maken met een microklimaat. De oriëntatie van de tuin op de zon, de gebruikte materialen, texturen en kleuren maar ook de bodem en waterhuishouding zijn van invloed op de groeiplaatsomstandigheden ter plekke. In de voortuin kunnen die omstandigheden fundamenteel anders zijn dan in de achtertuin.

Stel dat we te maken hebben met dezelfde woning in hetzelfde veengebied maar te maken hebben met een voortuin die pal op het zuiden georiënteerd is en dat de tuin ingesloten is door muren met een lichte gekleurde baksteen (weinig context). Door de aanleg van entree en oprit bestaat de grond hier ter plekke uit een schrale zanderige grond die ook nog een stuk droger blijkt te zijn vanwege de drainage die er tijdens de bouw van de woning gelegd is.
De situering ten opzichte van de context en architectuur van de woning, de afwijkende abiotische omstandigheden maken de keuze voor een mediterrane beplanting logischer. Wellicht is grind hier passend om de droogte en de warmte associatie te versterken. Bladvorm en textuur van de beplanting kunnen zodanig gekozen worden dat de sobere architectuur van de woning versterkt wordt.
Het gaat dus niet zozeer over smaak, wel over de juiste plant op de juiste plek en de ‘vertaling’ die wij als ontwerpers of beplantingsspecialisten maken. In die vertaling toont zich de meester. Anders wordt het namelijk gewoon een kwestie van copy & paste en daar heb je geen vakkennis voor nodig.
Als mij gevraagd wordt een lijstje te maken voor de te hanteren volgorde zou die er als volgt uit zien:
Succes en vooral veel plezier met dit machtigmooie werk!


Om met de laatste vraag te beginnen. Je hebt geen talent nodig om te kunnen tekenen voor hetontwerpvak. Wat wel handig is om te beschikken over tijd en ruimte om te kunnen tekenen. Een open mind met de wil om verschillende tekentechnieken te willen leren helpt natuurlijk ook.
Voor alle duidelijkheid. De tekeningen die je als ontwerper maakt zijn in veel gevallen schematisch en technisch van aard. Dat klinkt dan misschien weer wat saai maar wij maken nu eenmaal geen Rembrandts, tekeningen hoeven er niet gepolijst uit te zien waar het in de opleiding om gaat is dat je leert tekenen en schetsen als middel om te inventariseren, te analyseren en te conceptualiseren. Het maken van tekeningen is geen doel op zich maar een middel om te communiceren met je opdrachtgever. Als we alles wat we bedacht hebben in de tuin zouden moeten beschrijven krijg je ellenlange teksten. Met een snelle schets of plattegrond wordt de bedoeling direct duidelijk.
Een beeld zegt nu eenmaal meer dan 1000 woorden!

Tja, om te leren kijken en te analyseren is het antwoord. Nog korter gezegd om te leren ontwerpen.
Het is heel treffend door de Delftse hoogleraar Clemens Steenbergen beschreven in het boek Ontwerp & Landschap. Tekenen als instrument. Het boekje is sowieso een aanrader om aan te schaffen (gebruikt) in het eerste hoofdstuk geeft Steenbergen een overtuigend pleidooi voor het tekenen als instrument: overtrekken, natekenen, analytisch tekenen, technisch tekenen enzovoorts. Er zijn veel verschillende vormen van tekenen. Tekenen kan op elk moment, in de bus, tijdens voetbal en het kost werkelijk niets. Een snelle schets, een impressie of een detail van een bouwkundig element. Kijk eens naar het werk van Matthijs de Boer; Stadsschetsen.Schetsen doen we ook tijdens de lessen, binnen en buiten.
Tijdens de opleiding willen we vooral graag dat je leert kijken, analyseren en ontwerpen. Ben je met de computer of ipad bezig dan verleg je het accent onbewust naar de vaardigheid om met het programma om te gaan. Voor de eerste jaars studenten willen we dat per se niet. We willen dat je onderzoekt, vragen stelt door middel van de schets. Eerst ontwerpvaardig worden later komen de hulpmiddelen. Je kent het gezegde wel: met een foto laat je zien dat je er was, met een schets toon je wat je gezien hebt.

Iedereen kan tekenen, tekenen is kijken en analyseren. Wij kijken tijdens de opleiding niet naar de ‘verpakking’, de vorm, het gaat ons om de inhoud. Wat laat je zien, waarom en wat wil je ermee zeggen? Alles wat je doet is goed. Het gaat er vooral om dat je het doet, dat je tekent en dat je leert om je uit te drukken en te communiceren via de tekening. Wat je daarmee ook leert is je ‘geesteskind’ te delen met anderen, vakgenoten en professionals bijvoorbeeld. Op ontwerpbureaus is het volstrekt normaal dat er een transparantje overheen gelegd wordt om een andere zienswijze te verhelderen. Dat is soms eng, maar het leren gaat er ook over om te ontdekken dat anderen er altijd wel wat van vinden.
Tot slot, tekenen maakt je vrij, tekenen lokt uit. Iedere lijn die je trekt is als het stellen van een vraag, op de eerste plaats een vraag aan jezelf. Wat doet die lijn daar? wat gebeurt er als ik ‘m anders teken? Breder teken? Enzovoorts. Kortom tekenen is studeren. En wees nou eerlijk in welk vak kun je dat nu zeggen?
Veel tekenplezier!


De titel tuin- en landschapsarchitect is een beschermde titel. Die titel mag je voeren als je een relevante universitaire studie afgerond hebt. Dat kan zijn aan een van de bekende universiteiten zoals Wageningen, Delft of de Academie van Bouwkunst in Amsterdam of Rotterdam. Er zijn natuurlijk ook universiteiten in het buitenland die een soortgelijke opleiding verzorgen.
Om de titel te kunnen voeren dien je als Tuin- en landschapsarchitect ingeschreven te staan in het architectenregister en bovendien is het bij wet geregeld dat de tuin- en landschapsarchitect iedere twee jaar een beroepstest dient te doen.
Beroepsnamen als tuinontwerper, tuin- en landschapsinrichter, ecologisch ontwerper zijn niet beschermd. Feitelijk mag elke opleider een naam bedenken. De HAS in Den Bosch en Van Hall Larenstein zijn (gesubsidieerde) HBO opleidingen die respectievelijk manager leefomgeving en tuin- en landschapsinrichters afleveren.
Een afgeronde HBO studie geeft je recht op het voeren van een titel. In het voorbeeld van de groene HBO opleidingen is dat Bachelor of Science (BSc).
De OntwerpAcademie richt zich op het opleiden van tuinontwerpers - binnen het arsenaal aan buitenruimtes kiest de OntwerpAcademie voor de kleinste schaal; de tuin. Momenteel zijn wij druk met het inschalingstraject dat uit 2 stappen bestaat: validering en inschaling. Met de inschaling worden door het NLQF de vakopleidingen ingeschaald op niveau. De 2-jarige vakopleiding is in 2024 ingeschaald op NLQF niveau 5, dat is vergelijkbaar met het AD-traject in het HBO. Inmiddels zijn we druk met de inschaling van de 2-jarige opleiding Tuinontwerper Specialist. Samen met de examencommissie en werkveldcommissie van de OntwerpAcademie werken we continu aan de kwaliteit van deexamens en de lesstof. Want wij vinden het van groot belang dat de inhoud van de opleiding gedragen wordt door professionals uit het werkveld. De OntwerpAcademie focust zich op het (semi) private domein - die van de particuliere tuin, instellingstuin, bedrijfstuin, buurttuin.
Ontwerpopleidingen horen op HBO niveau ingeschaald te worden, zo vinden wij.
In algemene zin is het woord ontwerpen aan erosie onderhevig. Het woord ontwerpen wordt in de groenwereld nogal eens te pas en te onpas gebruikt. Men heeft het bijvoorbeeld over het ontwerpen van een terras als er een leuk patroon bedacht is. Maar ontwerpen is echt iets anders dan het maken van aardige tuintekeningen. Een fraaie tuintekening zegt iets over de tekenvaardigheid van de tekenaar zelf en niet per se iets over de inhoud van het ontwerp.
De OntwerpAcademie maakt zich - onder andere samen met de NVTL - sterk om de positie van de tuinontwerper te versterken. Daar hoort een gedegen opleiding op HBO-niveau bij.
Wat de naam van de opleiding ook is, ontwerpers doen schetsmatig onderzoek. Benieuwd naar hoe dat zit met de waarde van schetsen? Clemens Steenbergen legt dat in zijn boek: 'ontwerpen en landschap' heel goed uit in het eerste hoofdstuk. Voor een paar euro is het boek tweedehands te bemachtigen. Schetsen is dus het devies!


Twee vragen heb ik er uitgehaald omdat ik die essentieel vind voor de studenten die wij opleiden. De uitslagen bevestigen het beeld dat ik al jaren heb en waar ik tijdens veel lessen al heel lang geanimeerd en consequent over vertel, namelijk dat samenwerking belangrijk is, dat duurzaamheid begint bij een goed doordacht plan en dat zowel beplantingsadviseurs als tuinontwerpers getraind zijn in het integraal benaderen van ontwerpopdrachten.
Laten we eens kijken naar de eerste vraag die gaat over samenwerking. Interessant is dat 19% aangeeft met ontwerpers te willen samenwerken, 30% met beplantingsadviseurs en 25% met ecologen. Een mooie score want samenwerken met beplantingsadviseurs (1e jaar) en beplantingsspecialisten (2e jaar) betekent dat je als hovenier specialistische kennis in huis haalt. Beplantingsadviseurs beschikken over plantenkennis en over kennis omtrent bodem, water en ecologie. Concreet betekent het voor deze hoveniers die samenwerking zoeken dat ze kwaliteit in huis halen en tegelijkertijd productietijd winnen. Een win-win situatie dus. Gezien de krapte op de arbeidsmarkt kan de hovenier zijn/haar kostbare tijd a.g.v. die samenwerking besteden aan waar ze voor opgeleid zijn, namelijk: de aanleg en onderhoud van tuinen.

Een soortgelijke winst behaalt de hovenier ook in de samenwerking met een tuinontwerper. Van tuinontwerpers mag je verwachten dat ze het systeem achter bodem, water en ecologie begrijpen – cruciale kennis die nodig is om tuinontwerpen te kunnen maken.
Als we de zaak omdraaien dan liggen er voor zowel beplantingsadviseurs als tuinontwerpers kansen te over. Opmerkelijk is dat de UWV het hoveniersvak als een kansrijk beroep aanmerkt maar dat niet doet voor de tuinontwerpers/beplantingsadviseurs. De statistiek laat zien dat ontwerpers en beplantignsdeskundigen ook aangemerkt zouden moeten worden als een kansrijk beroep. Zeker als je dit koppelt aan de verwachte vraag naar groenprofessionals die binnen afzienbare tijd gaat oplopen tot maar liefst 70.000 arbeidsplaatsen.
Over welk onderwerp zou je zelf graag meer willen leren of bijleren?

Er zijn ontwerpende hoveniers en hovenierende tuinontwerpers. De grens is niet scherp te trekken en dat hoeft ook niet. Belangrijk te melden is dat tuinontwerpen en hoveniers verschillende beroepen zijn. Als hovenier kun je de keuze maken je vakkennis uit te breiden en te verrijken met bijvoorbeeld plantenkennis. Dat die score op 55% staat verbaasd mij niet en zie ik als het gevolg van de keuzes die destijds in het gesubsidieerde onderwijs gemaakt zijn om het vak plantenkennis niet verplicht te stellen in de hoveniersopleiding. Juist plantenkennis is een ongelooflijk belangrijk onderdeel in vrijwel alle facetten van ons vak. Met groen definieer je buitenruimtes, draag je bij aan sfeer en beleving. Maar groen levert een keur aan zogenoemde systeemdiensten op: denk aan regulering temperatuur, biodiversiteit, afvangen water, gezonde leefomgeving, zuurstof, afvangen stof. In het schema hieronder is te zien hoe dat werkt.

Tot slot valt ook in dit schema op dat er behoefte is om meer te leren over bodemkunde. Kies je voor de opleiding Beplantingsadviseur dan snijdt het mes aan meerdere kanten, vakken als bodem, water, ecologie en groeiplaatsomstandigheden komen er volop aan de orde. Hetzelfde geldt voor de opleiding Tuinontwerper.
Dus dames en heren vakmensen … Laat u zien op een van onze maandelijkse studievoorlichtingen, we helpen je graag verder.