credits
Dolf Houtman
Oprichter en docent Tuinarchitectuur
OA-Connect
Blijf op de hoogte. Stel je vragen of lees mee met anderen.
Bezoeken
Beplantingsleer
Beplantingsplan
Conceptontwikkeling
Tuinontwerp
12
minuten leestijd
Welke stappen zijn nodig om te ontwerpen met beplanting?
Een van de complexe fasen in het ontwerpproces is het werken met beplanting. Ontwerpen met beplanting veronderstelt op het eerste gezicht veel (planten)kennis. Toch is het zo dat deze eerste stappen in deze – wat wij de materialisatiefase noemen – niet zozeer een beroep doen op specifieke plantenkennis, maar veeleer vragen om ruimtelijk onderzoek en ruimtelijke bouwstenen.
Ontdek hoe je stap voor stap een beplantingsontwerp ontwikkelt. Van analyse en concept tot BIP, referentiebeelden en plantstrategie: leer hoe beplanting de ruimtelijke kwaliteit en sfeer van een tuin bepaalt.

Nadenken over beplanting is niet anders dan doorontwerpen; het maakt deel uit van het ontwerpproces. De compositie in het platte vlak krijgt met groen een derde dimensie erbij. Met het aanbrengen van groenvolumes definiëren we de verschillende ruimtes in een tuinplan en brengen we tegelijkertijd sfeer en identiteit aan. Ontwerpen – dus ook ontwerpen met beplanting – gaat over het ontwikkelen van ruimtes met identiteit en kwaliteit. Door groenmassa's te ontwerpen oefent de ontwerper/ beplantingsspecialist direct invloed uit op de kwaliteit van de ruimte, de beleving, gebruikservaring en sfeer. De ontwerper/ beplantingsspecialist is de regisseur die bepaalt wat de gebruiker gaat beleven.

Een kenmerkend aspect is dat wij in ons vak werken met levend groen materiaal. Dat maakt het extra dynamisch. Om die reden werken we met streefbeelden die op de toekomst zijn gericht en waarmee we de contouren van het groen bepalen, alsmede de beelden en de sfeer die daarbij horen.

Ontwerpproces

Hieronder – voor het beeld – nog even de stappen die aan de orde zijn in het hele ontwerpproces:

Inventarisatie + analyse = concept → SO, VO, DO → materialisatie grijs & groen: BIP + plantschema + plantlijst.

De te maken schetsen en tekeningen zijn in bovenstaand proces gemakshalve buiten beschouwing gelaten.

Materialisatiefase

De materialisatiefase gaat dus zowel over harde als zachte materialen; denk aan verhardingen, hout en steen, en levende materialen zoals beplanting.

Voor beide onderdelen, grijs & groen, geldt dat dit een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het ontwerpproces. We noemen het ook wel doorontwerpen. Het te kiezen materiaal zetten we in om daarmee onze ontwerpideeën uit te drukken. Zoals al eerder beschreven helpt een duidelijk concept hierbij, want met een goed concept kun je afwegingen maken. Of het gekozen (plant)materiaal doet wat het moet doen, namelijk het expressief maken van de ideeën.

Stappen

Voordat we inzoomen op de BIP noemen we hieronder eerst de voorliggende stappen die allemaal te maken hebben met het ontwikkelen van een groenplan. De stappen zijn bewust wat meer uit elkaar getrokken. Naarmate je meer ervaring krijgt, zul je merken dat de stappen die je neemt groter worden en sneller gaan. De volgorde is indicatief; in de praktijk kan deze anders verlopen.

Stap 1. (Tuin)ontwerp, plattegrond

Om na te kunnen denken over groen dient de beplantingsspecialist te beschikken over een tuinontwerp of plattegrond. Zonder een dergelijke onderlegger kunnen we niets.

We starten dus met de informatie die we voorhanden hebben. Hoe zit de plattegrond in elkaar? Hoe lopen de routes? Welke kenmerken kun je toedichten aan de tuin? En welke functies kun je al afleiden aan de hand van de situatie, het plan en het soort gebouw?

Stap 2. Ontwerpuitgangspunten, concept

Heeft de ontwerper uitspraken gedaan over de ontwerpuitgangspunten? Zo ja, benoem die en vraag jezelf af of ze specifiek genoeg zijn. Leg zoveel mogelijk verbanden en zoek zaken uit.

Een uitgangspunt als: het omliggende landschap (context) betrekken bij de tuin. Zijn er nadere aanwijzingen hoe de ontwerper dat ziet? En zie jij dat ook zo?

Ontwerpuitgangspunten vertellen iets over de visie die de ontwerper heeft op de opgave als geheel. Visie en ontwerpuitgangspunten kunnen dus samenvallen.

Voorbeeld van ontwerpuitgangspunten van S. van der Voort

2a. Concept

Met het concept is dat anders. Een concept geeft ons handvatten over de oplossingsrichting waaraan de ontwerper denkt. Een concept bestaat idealiter uit een eenvoudige, snelle schets – een beeld – en geeft op krachtige wijze weer waar het in de kern om draait in het ontwerp. Een goed concept werkt als een soort toets voor alle stappen die gaan volgen.

Voorbeeld van een concept van I. Boere

2b. Onderzoeken en aannames doen

In de praktijk kan het zijn dat je als beplantingsspecialist te maken krijgt met een ontwerp dat door een ontwerper gemaakt is, of dat particulieren een inrichtingsplan naar voren schuiven. Niet in alle gevallen is direct te achterhalen wat de gemaakte keuzes zijn geweest. Als je hier bij de betreffende particulier op doorvraagt, krijg je vaak nul op het rekest.

Je zult dan als beplantingsspecialist zelf aan de slag moeten met een analyse. Onderzoeken hoe het tuinontwerp in elkaar zit, in combinatie met wat de consument je vertelt. Vaak gaat dit onderzoek gepaard met het maken van een ruimte-massaanalyse met als doel meer grip te krijgen op de kwaliteiten van de tuin. Dat is het bruggetje naar de volgende stap.

2c. Ruimte-massa

Het maken van een ruimte-massastudie behoort tot het basisgereedschap van zowel de ontwerper als de beplantingsspecialist. Het ontwerp fungeert als onderlegger. Met behulp van een transparant brengen we heel schetsmatig – met een dikke stift – aan waar de ruimtes en de (groene) massa's komen.

Deze manier van werken gaat snel, is schetsmatig en zeer globaal. In grote lijnen proberen we de kwaliteiten van de tuin en de context te benoemen. Het gaat om de onderlinge relaties en de architectonische aspecten en kwaliteiten die je identificeert.

Ook als het je eigen ontwerp betreft, is dit een fase waarin je even uitzoomt en een stap terugzet, zodat je jezelf kunt bevragen op de keuzes die je gemaakt hebt. Je kijkt nogmaals kritisch naar wat je gedaan hebt. Kloppen de uitgangspunten nog? Kun je de architectonische aspecten nog scherper aanzetten? Kunnen de ruimtelijke effecten duidelijker? En hoe zit het met de identiteit en de sfeer van de verschillende (tuin)onderdelen?

Voorbeelden van ruimte-massastudies met verschillende uitwerkingen van hetzelfde ontwerp

Stap 3. Gebruikers en gebruikerseisen

Je beschikt over een tuinontwerp en wellicht ook over een beschrijving van de doelgroep of de gebruikers.

Breng de doelgroep en de gebruikers (van de tuin) in beeld. Beschrijf hoe zij de tuin of het complex gaan gebruiken en welke eisen zij stellen vanuit hun positie. Voorbeelden van gebruikers van een schooltuin zijn kinderen, docenten en ouders. Maar denk bijvoorbeeld ook aan leveranciers, glazenwassers en andere dienstverlenende organisaties.

Welke gebruikerseisen zijn er te bedenken voor een kantoortuin?

3a. Functies en functionele eenheden

Leg over het ontwerp een transparant en probeer zo concreet mogelijk aan te geven welke functies zich waar bevinden in het plan. Werk met een (kleuren)legenda zodat je goed onderscheid kunt maken.

Als je de functionele eenheden kunt benoemen, wordt het van daaruit ook duidelijker welke voorwaarden je kunt stellen aan de beplanting.

Functies kun je terugbrengen tot werkwoorden. Een paar voorbeelden:
· Entree = ontvangen, receptie, representatie
· Parkeren = stallen, plaatsen, opbergen, inrijden

Het idee is dat we vanuit iedere functie andere eisen stellen. Zo zal een terras met een hoofdfunctie anders gedimensioneerd en gematerialiseerd worden dan een informeel schaduwterras op een afgelegen plek.

De eisen die we stellen vanuit de functies kunnen worden vertaald naar concrete eisen: denk aan maximale hoogtes, transparante of dichte begroeiing, texturen, kleuren, vormen, of de beplanting mag overkoken, of deze jaarrond groen moet blijven, bladval en vruchtzetting, enzovoort. Probeer het plan zoveel mogelijk door te denken.

3b. Eisen en voorwaarden

Breng de informatie samen in een tabel met gebruikersgroepen, functionele eenheden, voorwaarden die worden gesteld aan het groen in esthetisch opzicht en de voorwaarden die voortvloeien uit de groeiplaatsomstandigheden.

Stap 4. Visie en BIP

Je hebt nu – met de punten 1 tot en met 3 – een goede basis voor een visie op de beplanting. Daaruit voortvloeiend is het maken van een BIP mogelijk.

De visie op de beplanting kun je heel kort verwoorden, maar liever zien we dat aan de hand van een referentiebeeld en conceptschets.

Voordat je toe bent aan het selecteren van planten ten behoeve van het beplantingsplan, moet je eerst weten waarop je gaat selecteren. Naast sierwaarde en bloemkleur zijn vooral de hoogtes en vormen die planten krijgen van belang. Met een beplantingsindicatieplan maak je een groenstructuur. In grote lijnen bepaal je welke hoogtes waar moeten komen en met welke plantvormen je aan de slag wilt.

Je zou kunnen zeggen: wat het BIP is voor het beplantingsplan (plantschema + plantlijst), is het schetsontwerp (SO) voor het definitief ontwerp (DO). Zoals het schetsontwerp de opmaat is naar het definitieve ontwerp, is het beplantingsindicatieplan de schets voor het beplantingsplan.

Dit betekent dat een BIP er schetsmatig uitziet. Het is een globaal overzicht, geschetst en getekend met bij voorkeur een dikke stift, omdat je in deze fase van het proces niet in details wilt vervallen.

Met het BIP ontwikkel je de selectiecriteria op basis waarvan een beplantingsadviseur of specialist de betreffende beplanting erbij kan zoeken en samenstellen.

4a. H, V, T en S

De volgende stap gaat over het specificeren van de groenmassa in termen van Hoogte, Vorm, Textuur en Verschijningsvorm. Deze volgorde ligt vast, want zoals we al eerder hebben aangegeven, is de hoogte van een massa allesbepalend voor hoe je een (tuin)ruimte beleeft.

We spreken van een BIP zodra er concrete uitspraken zijn gedaan over H, V, T en S.

4b. Korte notatie

Losse kreten en sfeermatige aanduidingen horen ook bij een beplantingsindicatieplan. Het is niet de bedoeling om lange verhalen te schrijven; dat maakt het plan niet per se overzichtelijker.

Opmerkingen als transparant, doorkijk, plint of afsluitende wand van 2 meter zijn daar voorbeelden van.

4c. Structuren – primaire beplanting

De structuren in een tuin bepaal je door het plaatsen van bomen, hagen en heesters met een bepaalde hoogte. Op deze manier ontstaat een raamwerk – een groenstructuur – waarbij je concrete uitspraken doet over de hoogtes van het groen, de vormen van het groen en de gewenste mate van transparantie.

Bijvoorbeeld: een bomenrij van 8 meter hoogte met zuilvormige bomen en fijn blad.

Ruimte-massa en BIP vertellen tegelijkertijd iets over de primaire beplanting. Het verschil is dat we de gewenste groenmassa's gaandeweg steeds specifieker maken.

De primaire beplanting vormt de structuur van de tuin of buitenruimte; het is als het ware de ruggengraat van de tuin. We werken altijd van groot naar klein en van globaal naar specifiek.

Onder primaire beplanting verstaan we bomen, hagen en heesters. De afmeting en schaal van de tuin zijn van invloed op de samenstelling van de primaire beplanting. Anders gezegd: bij een kleine patiotuin is het denkbaar dat de structuur slechts wordt bepaald door een boom van de derde grootte.

Stap 5. Referentiebeeld

Een referentiebeeld is een beeld waarmee je de essentie van je ingreep weergeeft. Je maakt je bedoeling – in essentie – beeldend.

Een referentiebeeld kan abstract zijn, over kleuren gaan of iets vertellen over contrasten of andere aspecten. Een referentiebeeld is iets anders dan een moodboard, dat veel meer een indicatie geeft van de te gebruiken materialen en de beoogde sfeer.

Referentiebeelden zijn een goede ondersteuning om je groenstructuur/BIP te verduidelijken. Een referentiebeeld kan ook geïnspireerd zijn op een beplantingsbeeld dat we kennen vanuit een bepaald landschapstype.

Voorbeeld van referentiebeelden van W. Y. Kong

Stap 6. Beplantingsbeeld

Met het maken van een BIP ontstaan er waarschijnlijk ook beelden. Koester deze beelden, maak aantekeningen en vooral kleine schetsjes. Benoem de beelden en gebruik voorbeelden uit de natuur die je kent van vakanties, wandelingen en andere ervaringen.

Omdat het zoeken naar beplanting een uitdagende exercitie is, kan het helpen om datgene wat je zoekt specifieker te maken. Beplantingsbeelden die we kennen van wandelingen, fietstochten en vakanties kunnen daarbij zeer behulpzaam zijn.

Voorbeelden van beplantingsbeelden zijn o.a.:
· heidevelden
· graslanden
· akkerranden
· bloemenweiden
· boomgaarden
· oeverbeplantingen
· natte vegetaties
· alpiene beplantingen
· bossen
· bosranden
· prairiebeplantingen
· steppevegetaties
· duinlandschappen
· woestijnvegetaties
· mosbegroeiingen
· open plekken
· pionierslandschappen op zandgrond

Boekentip: zoek je inspiratie? Probeer dan eens het boek De Groene Omgeving van Arie Koster. Het is een wat ouder boek dat waarschijnlijk alleen nog tweedehands verkrijgbaar is. Opvallend is dat de (naturalistische) beelden die in het boek staan actueler zijn dan ooit.

Omdat een tuin met zijn beplanting in meer of mindere mate een symbolische verwijzing is naar een landschap, is het belangrijk dat zowel de ontwerper als de beplantingsspecialist onderzoekt welke aspecten van dat landschap gebruikt kunnen worden.

Deze aspecten zijn feitelijk vrijwel altijd architectonisch van aard. Een heidelandschap gaat bijvoorbeeld niet zozeer over het feit dat er heideplanten staan, maar over eigenschappen als:
· openheid;
· geaccidenteerd terrein;
· horizontale leegte;
· incidentele verticale contrasten;
· grootschaligheid;
· een monochrome kleursamenstelling;
· fijne en compacte texturen.

Nog een voorbeeld. Met de wens van een consument om een zogenaamde Ibizatuin te maken, stelt deze impliciet de vraag aan de ontwerper of beplantingsspecialist om te onderzoeken wat de samenstellende onderdelen van een dergelijk landschap zijn.

Natuurlijk zal de groenprofessional bij deze consument doorvragen wat hij of zij verstaat onder een Ibizatuin. Al snel zal de consument een moodboard aandragen ter illustratie.

Met deze informatie start de beplantingsspecialist zijn of haar onderzoek naar welke kenmerkende (architectonische) aspecten bruikbaar zijn, rekening houdend met de afmeting en schaal van de tuin.

Tip: wanneer je met zo'n vraag wordt geconfronteerd, zet de consument dan aan het werk. Vraag niet om een moodboard met tientallen afbeeldingen, maar stimuleer hem of haar om scherpe keuzes te maken door het aantal aan te leveren afbeeldingen te beperken tot maximaal drie foto's. Hierdoor worden keuzes explicieter en ontstaat sneller inzicht in wat de consument werkelijk aanspreekt.

Voorbeeld van beplantingsbeelden van A. M. Heuseveldt

6a. Gericht zoeken

Door te werken met een beplantingsbeeld ‘frame’ je de opgave. Het trechtert je zoektocht en geeft de opdrachtgever direct richting en gevoel.

Wanneer je op deze manier werkt, kun je je voorstellen dat het zoeken naar passend plantmateriaal veel gerichter verloopt. Het BIP, het beplantingsbeeld en de primaire beplanting, inclusief de daarbij horende uitspraken, zorgen ervoor dat je op basis van deze selectiecriteria weet waar je naar op zoek bent.

Doorgaans verzamel je twee à drie alternatieven. Uiteindelijk kies je het alternatief dat het beste aansluit bij het beeld dat je wilt uitdragen en/of het verhaal dat je met je tuinontwerp wilt vertellen.

Je kunt je bovendien voorstellen dat deze manier van werken juist heel goed werkt wanneer je plantenkennis beperkt is. Ontwerpers werken en denken immers vanuit beelden.

Stap 7. Secundaire beplanting, plantpatroon en plantstrategie

Nu is het moment aangebroken om de beplanting specifieker te maken en verder te detailleren.

We werken altijd van groot naar klein: eerst de primaire beplanting, zoals bomen en hagen. Afhankelijk van de schaal van de tuin kunnen ook heesters tot de primaire beplanting worden gerekend.

Als de structuur staat en we deze hebben getoetst aan de visie, eisen en uitgangspunten, zijn we toe aan het invullen van de overgebleven ruimtes. We zoomen dan verder in, oftewel we gaan meer in detail werken.

Op borderniveau is het denkbaar dat je eerst patronen opzet en van daaruit de selectiecriteria formuleert. Wat je op kleine schaal ontwerpt, verhoudt zich immers altijd tot de grotere schaal.

Een border is onderdeel van een plek in de tuin, en die plek verhoudt zich weer tot het grotere geheel van de tuin.

Vanuit de uitgangspunten, het concept en de visie vertellen we ons verhaal. Er ontstaat een samenhangende opbouw waarbij materialen, kleuren, hoogtes en texturen zorgvuldig op elkaar zijn afgestemd.

Vanuit het centrale idee kun je je voorstellen dat ook een border – juist omdat deze deel uitmaakt van een groter geheel – een deel van het verhaal vertelt. Zoals eerder gezegd: alle tuinonderdelen zijn in samenhang met elkaar ontworpen.

Dat verhaal kan bijvoorbeeld gaan over een bloeiende bosrand, een grasachtige vegetatie of een droog talud.

Wanneer we voor de tuin als geheel werken met een groenstructuur, dan geldt dat op het niveau van de border niet anders. Met structuren en patronen organiseren we ons verhaal, op basis waarvan we vervolgens onze plantstrategie kunnen bepalen.

Wanneer je op deze manier werkt, zie je dat alle stappen ertoe dienen om ontwerpideeën op een consequente manier expressief te maken.

Een kleurrijke bloemenweide vraagt om een andere structuur en mengvorm (plantstrategie) dan een border waarin beweging centraal staat.

Kort gezegd: Ontwerpen met beplanting is het vertalen van analyse en visie naar ruimtelijke groenstructuren die de beleving en kwaliteit van de ruimte bepalen.

Datum
11.8.2026
Categorieën
Beplantingsleer
Beplantingsplan
Conceptontwikkeling
Tuinontwerp
Meer lezen?
Welke stappen zijn nodig om te ontwerpen met beplanting?
Beplantingsleer
Beplantingsplan
Conceptontwikkeling
Tuinontwerp
Visie op beplanting: hoe ontstaat dat en hoe ga je ermee om?
Beplantingsleer
Beplantingsplan
Conceptontwikkeling
Ontwerpprincipes
De poëtisch muzikale drie-eenheid
Conceptontwikkeling
Ontwerpprincipes
Tuinontwerp
Hoe ontwikkel je een visie en kom je van daaruit tot een beplantingsplan?
Beplantingsplan
Conceptontwikkeling
Ontwerpprincipes
Beplantingsleer
Is jouw tuin al waterproof en klimaatbestendig?
Biodiversiteit
Duurzaamheid
Tuinontwerp
Ontdek de ZomerSchool 2026
Tuinarchitectuur
Beplantingsleer
Inspiratie
Praktijkgericht leren
Hand holding a smartphone displaying a social media post welcoming users to 'Het Park' for meeting, sharing, and asking.

Wil je op de hoogte blijven?

Wordt dan lid van onze community OA-Connect of houd de andere social media kanalen in de gaten.