Lezing Frits Ruyten Podium Boskoop

Niet meer uitdunnen en snoeien. Dat is waar het betoog van landschapsarchitect Frits Ruyten in de kern op neer komt. Plaats planten op een zodanige manier dat alle vormen van snoei en uitdunnen overbodig worden en de plant zelf optimaal tot zijn recht komt. ”Vergelijk het met een componist, zoals hij met klankbeelden werkt – met muzieknoten afwisselend dicht op elkaar en dan juist weer met veel ruimte – zo componeren tuin- en landschapsarchitecten parken en andere (openbare) ruimtes.” Uitgaan van de natuurlijke groei van bomen en heesters is bepalend voor de methodiek van de vrijstandsvorm.

Integrale Beplantingsmethodiek Ruyten

Als je de bomen en heesters zo ontwerpt dat ze bij aanplant direct al op de juiste plaats staan en vrij kunnen uitgroeien zonder dat snoei nodig is, dan ontstaan er fraaie (natuur)beelden. Je streeft naar een zodanige aanleg dat de beheerder niet hoeft te kappen, te snoeien of begeleidingssnoei hoeft toe te passen. De kosten van deze integrale beplantingsmethodiek (IBR) liggen weliswaar hoger bij aanvang, maar op lange termijn gaat het juist geld opleveren. Want het uitvoeren en toepassen van dunningen en begeleidings-snoei behoren dan tot het verleden, aldus Ruyten. Als je dat vergelijkt met de traditionele manier van aanplanten, waarbij we uitgaan van kleinere maten en we de soorten dichter op elkaar zetten, dan ontstaat er met de IBR methode een meer natuurlijk beeld. Ruyten heeft dat wetenschappelijke onderbouwd aan de hand van groeicurven waarmee een groeivoor-spelling kan worden gedaan. Zijn devies is dus: afstappen van het inplanten op basis van het - bin-nen het vakgebied - bekende Blijvers en Wijkers-systeem dat vooral populair was in de jaren ’70/‘80 van de vorige eeuw, maar uitgaan van de ruimte die planten en bomen (houtachtigen) nodig hebben aan ruimte.

Ecologie

Interessant aan deze Integrale Beplantingsmethodiek is dat het ook over ecologie gaat. Het zo wei-nig mogelijk snoeien en de beplanting plaatsen waar ze zich optimaal kan ontwikkelen, linkt aan wat ze in de ecologie potentieel natuurlijke vegetatie (P.N.V.) noemen. De groeiplaatsomstandigheden bepalen wat er opkomt aan begroeiing en vervolgens ontwikkelt de vegetatie zich op basis van successie. Het gaat om de match tussen omstandigheden en soortkeuze. Tegelijkertijd weten we dat we vooral in een stedelijke setting de boel niet zomaar kunnen laten gaan. Dan wordt het een rommeltje. Juist in die stedelijke en culturele context zullen we moeten ontwerpen - daar zijn beelden voor nodig en vooral een inschatting van wat er wel en niet kan op een bepaalde plek, straat, plein of groenstrook. Op basis van streefbeelden kunnen ontwerpers aangeven hoe het groen er in de toekomst, op een bepaalde plek, uit moet zien - denk aan hoogte en breedte maten. De ideeën van de ontwerper zijn ook bepalend voor de verschijningsvorm van de begroeiing. Daarmee bedoelen we kenmerken voor de begroeiing zoals: transparant, compact, zwaar, gewichtig, kleurrijk, monumentaal, ondergeschikt, begeleidend, enzovoorts.

             

De afbeeldingen hierboven laten goed de ontwikkeling zien. Riet als eerste stap in de verruiging, twee ijle boomvormers melden zich al tussen de rietbegroeiing. Bij een maaibeurt zouden de boom-vormers (Els, Berk, Wilg) worden afgemaaid en de rietbegroeiing blijven overheersen. De tweede afbeelding laat een stadium zien van verruiging als er langere tijd niet wordt gemaaid. Op de derde afbeelding is het beginnende bosje uitgegroeid tot een volwassen vorm. Interessant is dat het laat-ste bosje zich in een concurrentiefase bevindt. De snelste en sterkste boomvormers zullen uitein-delijk de overgebleven staken gaan domineren.

Wisselwerking

Ook met het toepassen van de IBR methode zijn er vier aspecten waar we mee te maken hebben en die continu met elkaar in verband staan: ecologie, architectuur, soortkeuze en kosten.

Ecologie gaat in dit verband over de groeiplaatsomstandigheden. Op de plek waar de beplanting is bedacht heb je te maken met factoren als: bodem, water, zuurgraad, enz. Deze uitgangssituatie bepaalt voor een groot deel wat er wel en niet mogelijk is qua soorten keuze en wat er vervolgens dus ontspruit aan de grond. Als ontwerper probeer je met de (on)mogelijkheden van de groeiplaatsomstandigheden in het achterhoofd een zo aantrekkelijk mogelijk plan te ontwikkelen tegen zo laag mogelijke kosten. Het helpt dan om ‘mee te buigen’ met de ecologische uitgangspunten en de reeds aanwezige kwaliteiten van de plek zelf.

Architectuur gaat over het gewenste beeld dat de ontwerper op een bepaalde plek voor ogen heeft. De ontwerper vertaalt deze beelden naar streefbeelden met hoogtes en breedtes en verschijningsvorm van de beplanting.

Soortkeuze: de ecologische- en architectonische aspecten gelden als uitgangspunt voor het bepalen van de juiste boom- of heestersoort. Eerst bepaalt de ontwerper de gewenste hoogte, daarna komen de gewenste boom- en heestervormen in beeld.

Kosten: aanpassingen in de groeiplaatsomstandigheden hebben invloed op het kostenniveau - het is een continu proces om aanpassingen in de groeiplaatsomstandigheden in balans te houden met de kosten. Er is ook een relatie in de benodigde investeringen en de levensduur van de gekozen boomsoort.

Grootschalig

De IBR leent zich bij uitstek voor de grootschalige oppervlakten zoals parken en landschappelijke beplantingen. Maar de onderliggende filosofie om de soortkeuze van bomen en heesters optimaal af te stemmen op de groeiplaatsomstandigheden, is natuurlijk ook voor tuinen een strevenswaardig uitgangspunt.

Tot slot. Hoewel er binnen de IBR methodiek wordt gesproken over vrijstandsvormen hoeft dat niet te betekenen dat bomen en heesters altijd op een zekere afstand staan. Het kan in natuurlijke om-standigheden voorkomen dat een bosje zich in de zogenaamde stakenfase bevindt. Dat is een bepaalde fase in de groeiontwikkeling van een vegetatie. De IBR methodiek gaat er van uit dat ook beplantingen die zich in deze concurrentiefase bevinden evengoed kunnen worden beheerd met de uitgangspunten van de IBR methode - namelijk zo weinig mogelijk ingrijpen zodat het bosje kan worden gezien als beplantingsgroep.

Toegepaste Beplantingsleer en Toekomstbestendig Ontwerpen met houtige gewassen zijn cursussen die door de OntwerpAcademie worden aangeboden. Wil je meer weten over de inhoud van deze cursussen? Kom langs bij een van de maandelijkse informatiebijeenkomsten en ontdek of de inhoud past bij je vraag en interesse.

 

Logo_ontwerpacademie
   

Contact algemeen

Contact studentenzaken

Online

                               

Adres

  • Bezoek- en correspondentieadres 
  • Belgiëlaan 1A5, 2391 PH Hazerswoude-Dorp
  • Leslocatie Boskoop
  • Belgiëlaan 1A5, 2391 PH Hazerswoude-Dorp
  • Leslocatie Tuinvisie, Utrecht
  • Rutherfordweg 75, 3542 CN Utrecht